Waar liefde voor taal begint komen verhalen tot leven. In zomaar een ontmoeting, in een aarzelend uitgesproken woord, in een stil vermoeden ligt hun oorsprong. Als kind schreef ik verhalen en nooit ben ik daarmee opgehouden. Tijdens mijn werk als geestelijk verzorger vertellen mensen mij over de onvermoede kracht die schuilt in dromen en verlangens. Zij vormen de grondtoon van mijn werk.

Berthe Omvlee

geestelijk verzorger & auteur

De Eva

‘De Eva’ is de voorlopige titel van de roman waar ik op dit moment aan werk.


Hier deel ik alvast een fragment: Lees meer

Berthe Omvlee Berthe Omvlee

De redding

Amper bijgekomen van onze gezamenlijke skivakantie, zaten we klaar voor de TV, allemaal met een lichte blos, maar ook met een zekere trots. Eén van ons kwam aan de talkshowtafel van DagDag.
Eerder vandaag hadden we onze held Ireen geadviseerd over kleding, haar, over wat hoorde en wat niet. Blij dat we zelf niet hoefden verschijnen, hoonden we haar onzekerheid weg. We meenden dat ze rustig onze namen kon noemen, immers wij waren getuige, waren er bij toen ze uit was gestapt en Sally en ons huilend in de armen viel.
We hadden haar zitten stangen, haar bang gemaakt. Haar glas zou over de dure tafel kunnen gaan, haar microfoon zou het het niet doen of ze kreeg een black out.

Haar ouders zagen we al, die zaten schuin achter Ireen op de tweede rij.
Na de vooruitblik, inleidende fragmenten, eindeloos geëmmer over de financiële onderbouwing van een museumrenovatie door een Amsterdamse wethouder naast Ireen en een politieke kwestie die ons al helemaal niet boeide, was het eindelijk haar beurt.

Al zei niemand iets, we maanden elkaar tot stilte: ‘Stil nou. Luister, hou je kop!’
De presentator, de populaire Guido van Dam, hoorde zichzelf graag. Hij gaf in zijn aankondiging de helft van Ireens verhaal vast weg: ’Ireen, jij en je vrienden waren op skivakantie en ondanks je jarenlange ski-ervaring kwam je buiten de piste. Je stortte naar beneden en bungelde, hoe bestaat het, aan een toevallig boompje dat je in je val nog net kon vastgrijpen?’
Ireen knikte: ‘Dat klopt. Zo was het. Ik hing letterlijk tussen hemel en aarde. Een grijze lucht boven mij en besneeuwde hellingen onder mij’.
‘Wat een bizar toeval, zo’n boompje!’ De ogen van alle tafelgasten richtten zich nieuwsgierig en vol ontzetting op Ireen.

Tevreden constateerden we bij Ireen alleen rust, geen spoortje nervositeit.
’Ik dacht…, ik zeg het maar eerlijk, ik dacht dat ik dood ging’, ze zei het zacht, maar duidelijk hoorbaar.
‘Maar Ireen, het liep goed af. Je ging niet dood, sterker, je zit hier bij ons aan tafel’.
Ireen knikte weer en keek naar Guido. Die haalde nu het dagblad tevoorschijn met op de voorpagina het artikel over de redding en las de kop: ‘Hulpverleners snel ter plaatse’. Iemand had een filmpje gemaakt en even verscheen de ons bekende reddingsheli in beeld. We zagen onszelf, de hulpverleners en een groep toeschouwers.
‘Dat moet een belevenis voor je zijn geweest, Ireen. Kun je ons meenemen naar dat moment en iets vertellen over wat er door je heen ging en hoe zo’n redding in z’n werk gaat?’, vroeg Guido.
We bogen naar het TV-scherm of gingen staan om niets van haar woorden te missen. De camera zoomde in op Ireen die heel rustig eerst een slokje nam uit het waterglas.
‘Toen ik daar hing...’
‘Tussen hemel en aarde zoals je zei’, onderbrak Guido haar.
‘Ja, precies, toen wist ik zeker dat ik zou vallen…, dood zou vallen’, even aarzelde ze. ‘Ik kon op dat moment eigenlijk niets anders doen dan bidden’.
‘Bidden?’, vroeg Guido en wij met hem.
‘Ja bidden’, antwoordde Ireen kalm.
‘Dus je was bungelend aan het bidden geslagen?’, grinnikte Guido.

Nu stonden we allemaal in een halve cirkel rond het scherm ongelovig naar Ireen te staren.
‘Ja inderdaad. Ik bad om hulp en voor ik mijn ogen kon openen hoorde en voelde ik de reddingsheli dichtbij’, ging ze verder.
‘Je gebed werd verhoord?’, vroeg Guido grappend en pakte de krant er bij. ‘In het artikel lees ik er niets over?’
‘Zouden mensen het geloven?’, vroeg Ireen.
De gasten aan tafel raakten met elkaar in gesprek. De wethouder sprak van toeval, de cabaretier en de politicus van een goede grap.
‘Het zou kunnen, Ireen. Het zou kunnen’, zei Guido.
We staarden wat beduusd naar Ireen. De camera zwenkte van haar, naar haar ouders.
‘Het is zoals Ireen het heeft ervaren’, zei haar vader desgevraagd.
De camera was terug bij Guido van Dam die wat ongemakkelijk heen en weer zat te schuiven op zijn stoel en Ireen bedankte voor haar uitzonderlijk boeiende verhaal.
De rust aan de tafel keerde weer.

‘Wisten jullie van dit, van dat bidden enzo? Heeft ze het jou verteld?’, vroegen we en keken naar Sally die langzaam haar hoofd heen en weer bewoog en glazig naar het scherm bleef kijken.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Op het leven

Mijn moeder klapt in haar handen. Ik weet wat ze zeggen zal en zeg in mezelf: ’Lieve vriendinnen. Wat fijn dat jullie er zijn’. Ze noemt dan iemand in het bijzonder. Ageeth valt vandaag de eer te beurt. Dan vervolgt ze met: ‘Op de tafel heb ik alvast alles klaargezet. Het eerste kopje serveer ik, de rest laat ik aan jullie beleefdheid over. Er is royaal’.

Ik bekijk haar van een afstand, mijn moeder, stijlvol en helemaal jarig. Ze houdt van traditie, wijkt er om die reden nooit vanaf. Op het Laura Eshley tafellaken, links de koffiekan en de kopjes, rechts de theekan met de wijde koppen. In het midden de kleine bordjes en de vorkjes. Taartjes, zandgebak met room en vruchtengelei op een bord, de hapjes en chocolaatjes op etagere. Er is zeker genoeg, al houdt het niet over. Voor ieder twee, plus eentje voor je weet maar nooit, zo heeft ze het tevoren uitgeteld. De achterste helft van de tafel, achter de bloemenvaas en de etagères, is, heel gênant, ruimte gelaten voor de cadeau’s: ongeveer voor een heel jaar badzout en doucheschuim.

Van haar vriendinnen ken ik de namen, daarmee houdt het op. De vensterbankplek met ons Doesje op mijn schoot, past me goed. Zo hoef ik met niemand echt een conversatie aan te gaan. Mama zal me bovendien in gesprekken betrekken, dat wil zeggen dat ze me regelmatig om mijn mening zal vragen.

God noch aan toe, hoe houd ik dit vol. Ik bedenk, al komt het nooit voor, dat mama, in gezelschap van mijn vriendinnen, minder kritisch zou zijn in haar oordeel.

De gesprekken kabbelen voort, met af en toe een mama’s hoge lach. Mijn mening wordt gevraagd over opengewerkte kousen, kauwgumgebruik en over de burgemeester van mijn Amsterdam.

In de hoek waar Ans, mama’s oudste vriendin in de rode fauteuil zit, begint zich een ernstig gesprek te ontwikkelen. Stemmen matigen zich en er wordt  meelevend en instemmend geknikt.

‘David, de ex van Ans krijgt binnenkort eu-tha-na-sie’, fluistert mijn moeder me in. Ik knik begripvol, graaf in mijn geheugen naar de ex en veeg met mijn duim cacaopoeder van een truffel van mijn moeders kin. Alle aandacht heeft zich nu verplaatst naar Ans, die met bekommernis over Davids ziekbed spreekt. Bij grote woorden als ‘verpleeghuis’ en ‘incontinentie,’ wordt instemmend gehumd. Bij ‘totale afhankelijkheid, kasplantje en tremors’, gaat een huivering door de kring van hoorders.

Om een einde te maken aan het gesprek zegt mijn moeder: ‘Sophie werkt in de zorg met mensen met zulke erge ziektes. Toch?’ Alle ogen richtten zich op mij. Ik voel mezelf verstrakken, haat mijn moeder, de verjaardag en de ex, zet Does voor me op de grond, aai haar terwijl ze haar staart om mijn enkel krult.

Ik kijk naar de vrouwen, de nette jurken, grijze kapsels, vlotte broeken, trendy brilmonturen en weet niets te zeggen. Er wordt naar Ans gekeken, van haar naar mijn moeder die mij op haar beurt vragend aankijkt. Het blijft stil. Does springt naast me in de vensterbank en draait twee rondjes op mijn schoot voor ze gaat liggen. Ze spint, voel ik.

‘Misschien’, zeg ik voorzichtig, ‘misschien past mij schroom of verlegenheid als het om de weg naar het levenseinde gaat’, hoor ik mezelf bijna fluisterend zeggen en richt me strak op de schoenen van Ans, groene, gevlochten leer, lage hak.

Op een paar kuchjes na is het een tijd stil, erg stil, tot mijn moeder opstaat en haar glas heft richting Ans. ‘Meiden, laten we drinken op het leven’.

De levendigheid zet zich voort als Does en ik de woonkamer verruilen voor een rondje tuin.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

De Engelsman

Op de een of andere manier hadden ze hem allemaal gezien, de gentleman die nog juist op tijd, net voor de deuren werden gesloten, achterin op de laatste stoelenrij plaatsnam. De man, ongeveer van vaders leeftijd, was gekleed in een driedelig grijs kostuum. Ondanks z’n bescheiden plaats deed hij weinig moeite zichzelf onzichtbaar te maken. Op de begraafplaats had hij zich ook afzijdig gehouden. Juist dat had hem nieuwsgierige blikken en gefluister opgeleverd en zijn aanwezigheid gewicht gegeven. 

Zijn ronde hoornen bril en smalle snor werden door velen waar genomen, een enkeling noemde zijn z’n grijze haar en keurige scheiding. De tweekleuren schoenen van zacht leer waren niemand ontgaan. Die waren niet van hier en vast ongelooflijk kostbaar.

Bij niemand had hij zich bekend gemaakt, had geen medeleven betuigd en niemands hand geschud. Alles bij elkaar genomen had het hem de naam ‘Engelsman’ opgeleverd. 

Anne, vaders stiefdochter, wist later bij de thee te vertellen dat hij, de Engelsman, bij het dalen van de kist zijn neus in een witte gevouwen zakdoek had gesnoten of er zijn tranen mee had gedept, dat kon ook. Hij moet kort daarop zijn vertrokken omdat niemand hem na de ceremonie bij het graf nog had gezien.

Op de parkeerplaats was geen luxe auto of buitenlands kenteken gesignaleerd. Vaders gestructureerde levensstijl gaf hoe dan ook geen aanknopingspunt. Verbazing en twijfel waren van dezelfde omvang toen een jeugdvriend stellig beweerde dat vader voor zijn eerste huwelijk een tijdje in Kent had gewoond. Hij kon zich niet herinneren waar precies. 

Voor alle zekerheid hadden ze nog even rondgebeld, maar de naam Adriaan met sierlijke de ‘A’ in het condoleanceboek kon niemand thuis te brengen.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Woorden

Ze spraken af om elkaar elke dag een woord van de dag te geven, een mooie. Op gekleurde briefjes staken ze die tijdens de pauzes in elkaars tas,’verlangen, ochtendnevelen, louter, soezerij, desalniettemin. Die woorden werden kleine versjes of gedichtjes ‘Tijd verdrijft, neemt je mee, gewonnen of gedwee’, de eerste die hij voor haar schreef tijdens een saaie geschiedenisles.
Liefde voor taal was het, lezen, boeken, titels, luisteren en eindeloos doorpraten. ‘Wat niet in woorden te zeggen is bestaat niet’, zei ze en hij beaamde. Misschien wisten ze beiden beter, maar de echte wereld was groot en mijlen ver.
Een sport hadden ze er van gemaakt, hadden bij koffie, bier en teveel wijn, elkaar bestreden. Gangbare opinies hadden ze met gemak weerlegd. Al was zij in alles zijn meerdere hij maakte er zijn werk van, ging doceren en genoot aanzien. Zij zorgde voor hun huis en de dieren, hield van ze als waren het haar kinderen. Ze kookte en zong.Televisie hadden ze niet, vrienden evenmin. In de kleine dorpsbibliotheek bestelden ze voor haar de titels die ze hen opgaf.
Het was om haar ziekte  die voor beiden meer was dan een een groot en onoverkomelijk mysterie. Erover spreken ging niet. Omdat zij naast haar eigen machteloze pijn de zijne niet kon verdragen, ze hem er evenmin buiten kon laten, probeerde ze er wanhopig precieze woorden te geven als de episodes van depressie haar leven overnamen. Ze schreef ze op in het  Engelandschrift, een schrift met leeslint en zachtstoffen kaft en lieflijk bloemmotief. Bij haar eigen woorden vond ze steun, misschien zelfs troost. Ze las ze weer en weer. Het hielp haar. Hem niet. Hij opende het schrift, las haar woorden niet, keek enkel naar het haperende gehavende schrijven, zag de de doorhalingen, de vette woorden, de onderstreepte en de dblokletterwoorden.
Hij zag haar aan als ze onbereikbaar was, zag haar zoekend gaan, de kou en de onrust. Haar heen en weer schietende ogen braken zijn hart. Hij deinsde terug als ze van een klein geluid opschrok. Hij vloekte soms, balde zijn vuisten die maar langzaam verslapten als hij naast haar ging zitten wanneer ze tuurde in een onduidelijke verte.
’s Nacht hoorde hij dat ze opstond en wist dat ze op de bank zou zitten. Eén keer was ze naar buiten gegaan. Hij had gezocht, zag in het donker haar gestalte naderen, hoorde haar huilen pas toen ze dichterbij was. Met een wereld van gedachten in zijn hoofd, maar zonder een woord, had hij haar in bed gelegd, een kruik gemaakt.
Hij vroeg of het ging. Ze schudde ze haar hoofd. De boterham die hij voor haar smeerde vond hij terug in de kliko. Mechanisch schuifelde ze door het stille huis, las alleen haar Engelandschrift.
Als ze terugkeerde, er langzaam licht in haar ogen kwam, haar bewegen vlugger en energieker, dan wist hij dat ze hem zou zeggen dat de woorden in het schrift ontoereikend waren, schandelijk tekort schoten, hij die warboel maar niet moest lezen.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Stadsbus

Hoe het ook zij, dit kon niet  en kon hoe dan ook niet waar zijn. Een flits meer was het niet. Duur, een enkele minuut, misschien niet eens. Evengoed had het een eeuwigheid geduurd, leek het. Als Peter het terug haalt is het beeld nog haarscherp: de lage haarinplant, twee evenwijdige horizontale rimpels daar onder, de brede kaaklijn. In de ogen was een onzeker zoeken geweest.
Schrik of was het een siddering van sensatie geweest die hem was overkomen. Ze is opnieuw voelbaar.
Het waren vooral zijn ogen geweest achter de langzaam voorbijglijdende ruit. Ze hadden de zijne gezocht, hadden de zijne naar zich toe getrokken. Onontkoombaar sterk hadden hun blikken zich daarna als magneten aaneen geklit. Ze hadden dat ene moment gerekt, hadden niet weg kunnen kijken, wilden vastgehouden tot het laatst. Meegetrokken werd hij, ging als vanzelf lopen drie, misschien meer stappen mee onder zijn raam, had met zijn vingers de bus aangeraakt, twee lange strepen gemaakt. Vochtig vettig vuil op zijn ring- en middenvinger.
Achter het raam zag hij van de hand de vingers tegen het glas gedrukt, een waas van zijn adem daar omheen. Toen was het voorbij. De blauwe bus reed weg richting zuid, zwenkte knipperend naar de rechter baan, verdween achter de bomenrij en het roodstenen kantoorgebouw.

Lijn zeven stopt. Remmen zuchten, mensen rennen aan hem voorbij, stappen in, schelle piepjes van de laser, een ronkende motor, dieseldamp. Hij staart naar de treden, naar deuren die uitnodigend open blijven, zich dan sissend sluiten. Verkeer raast voorbij, koude wind slaat de panden van zijn jas open, blaast broekspijpen tegen zijn benen. Hij staat daar op het verhoogde platform in een suizing van stilte, eenzamer en kouder dan ooit.
‘Papa?’, zijn lippen vormen het niet te zeggen woord.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Zaterdagmorgen

De donkere auto met getinte glazen en glimmende bumpers die die zaterdagochtend langzaam door de straat rijdt kan niemand ontgaan, de bestuurder met zijn zorgvuldig naar achteren gekamde haarlok, donkere hoornen bril en filtersigaret evenmin. Dat hij dan met dezelfde snelheid achterwaarts rijdt en voor hun huis halt houdt, doet de moeder van Herman opzien van haar kruiswoord, de vader van zijn Telegraaf en zus Tine van haar huiswerk. Zelf ziet Herman van boven door het smalle geopende douchevenster de rijzige gestalte met glimmende kuif uitstappen. Gevolgd door een wolk sigarettenrook. Voor de man het tuinhek opent gooit hij zijn half opgebrande sigaret op de tegel en verpulvert die met een draaiende beweging onder zijn schoen met gesp. Deze man moet wel artiest zijn, een kermisartiest of op z’n minst een croupier.
Met het geopende hek onder zijn hand monstert hij de voorgevel. Te laat. Niet snel genoeg heeft Herman een stap naar achteren kunnen doen. Zonder preciest te weten waarom overvalt hem een gevoel van het schaamte.
Beneden zegt zijn vader: ’Ken jij die man Marry? Hij zoekt iets’.
Zijn moeder: ‘Nee, natuurlijk niet, geen idee’.
Verbeeldt hij het zich? Hoort hij die duidelijke trilling in de stem van zijn moeder, de trillende aarzeling als ze spreekt met meneer pastoor.
Het schorre harde geluid van de bel lijkt het huis te scheuren. Niemand. Een tweede bel.
Zijn vader: ‘Goedemorgen meneer. Wat brengt u hier?’
De vreemde kuchte wat slijm weg. ‘Het spijt me dat ik u stoor, maar ik zou graag Marry Hofmeijer spreken, als het u belieft graag alleen’.
Zijn vader weer: ‘Dat zal echt niet gaan meneer’.
Dat is heel jammer. Mag vragen waarom?’
‘Datzelfde vraag ik aan u. U rijdt voor om mijn vrouw te spreken? Waarom?’
Nu hoort hij ook zijn moeder: ’Arend, ga maar even. Ik kom zo’. Herman stelt zich voor hoe ze vader zacht maar resoluut opzij duwt en hij een stap naar achteren doet.
Hij ziet haar op het pad. Ze glimlacht ze naar hem.
‘Die vent komt godverdomme voor je moeder’, zegt hij meer tegen zichzelf dan Tine in de opening van de kamerdeur.
Herman kijkt neer op de haarscheiding en de blonde kleine krullen van zijn moeder naast naast de donkere glimmende kuif. Hun stemmen kan hij duidelijk horen.
Nog nooit heeft hij zijn moeder zien roken en toch, de man biedt zijn moeder een sigaret en vuur. De man vertelt lang. Zijn moeder giechelt meisjesachtig. De man gaat verder op dezelfde toon. Weer gegiechel. Ze zwijgen lang.
De man weer.
Zijn moeder antwoordt zacht en rustig.
Hij weer kort.
Stilte, nu langer.
Kort, kort. Langer, kort, stilte, kort.
Zijn moeder houdt met haar rechter hand haar sjaal bij elkaar en buigt zich naar de man, fluistert iets over zijn schouder, schiet met haar duim de rest van haar brandende sigaret in het rozenperk.
Kort, lach, kort.
Dan keert ze zich resoluut om, steekt de sleutel in de deur. Beneden hoor hij hoe ze de deur sluit.
Herman hoort hoe ze neuriet, de sjaal vouwt en in de gangkast legt.
Stilte. Lang. Lang.
Beneden staart de man naar de dichte voordeur, dan naar boven, gooit zijn sigaret in de richting van de hare, loopt met korte trage passen en sluit zorgvuldig het tuinhek. Herman ziet de auto bewegen als hij achter het stuur plaatsneemt. De glimmende bolide zet zich zacht ploffend in beweging.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Spullen

‘Er zijn bedrijven die dit werk doen’, zegt de jonge vrouw die zich heeft voorgesteld als Marleen Huisman. Om zich een weg te banen door de veelheid aan spullen duwt ze met de zijkant van haar gehakte laarsje een een rafelige mand met pluizige deken, een verzameling speeltjes en een tas met kleding en wat losse autobladen opzij.

Zelf heeft hij het gevoel te duizelen in de kamer met hoog opgetast dozen, losgeweekt behang, gestapelde vogelkooien en kattenbakken en een aanrecht vol kommen, borden en conservenblikken en bestek. Een zwerm zwarte vliegen hebben zich verzameld op een korsterige zoete rest. De grijze wandtegels zijn bruin aangekoekt. Met een ijzeren regelmaat valt een druppel kraanwater in de bovenste van een stapel pannen in de gootsteen.
De vrouw drukt een papieren zakdoekje voor haar neus en duwt met de muis van haar andere hand een bovenraam open. 

Aan deze keukentafel heeft hij hem daags na zijn diplomering achtergelaten met zijn gram, vloeken, verwijtend en een kanonnade aan scheldwoorden. 
Hoewel hij sindsdien meesterlijk behendig onderwerpen over vaders met een snelle grap heeft weten te omzeilen, valt hem er nu even geen te binnen. 
Van achter het aangeslagen glas kijkt, vanaf de met klimop overwoekerde handkar, een trotse rode kater hem recht aan.

‘Er zijn bedrijven die dit werk doen’, herhaalt hij haar woorden.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Straat

Door mannen op hun knieën steen voor steen gelegd. Het is een straat als alle anderen, maar het is de straat waar mevrouw Koster woont en loopt en zingt. Ieder kent haar vlugge tred, de kaarsrechte houding, de melodie van het lied dat eens een tophit was. Als het regent, een klein beetje maar, dan draagt ze een regenjas en laarsjes, maar nooit een plu. Als de zon schijnt draagt ze een bloemenjurk en muiltjes. Bij koud weer blijft ze binnen, bij de haard, zo denken wij.
Mevrouw Koster is niet groot, niet klein, gewoon gemiddeld, draagt haar haren in een knot, twee grote ringen om de vingers van haar rechterhand en haar boodschappen draagt ze in een ronde mand aan haar linkerarm.
Ze groet ons met een knikje en haar zoete lach, staat zelden stil, maar staat ze stil dan bestudeert ze een plantje in een tuin. Thuis, zo menen wij, zoekt mevrouw Koster de Latijnse naam ervan op in haar encyclopedie.
Ze woont hier op de hoek, op nummer tien, het huis met de erker en de rode deur. Ze heeft geen tv, leest boeken in haar stoel voor het raam. Soms kijkt ze even op, ziet mensen komen en weer gaan.
Mevrouw Koster kent de namen van de de mensen in de straat. Ze schrijft ze op, vermoeden wij, in een klein boekje. We kennen mevrouw Koster, weten dat haar man heel vroeg is doodgegaan, al weten we niet waaraan. We kennen haar rode voordeur met het kleine raampje, haar gele kanariepiet, de rode loper in de gang. Verder gaan we niet.
Mevrouw Koster geeft gul voor ieder doel en geeft ieder kind een snoepje mee.
Ze is van gegoede huize, drinkt ’s middags om drie uur thee met een koekje en ’s avonds eentje rond de klok van acht.
Mevrouw Koster is gestorven, lezen wij, op vierentwintig maart. Een zwarte auto rijdt langzaam de straat uit, een straat als alle anderen. Het is de straat waar mevrouw Koster niet meer woont en loopt en zingt. Ze lijkt verlaten en leeg, mist de vlugge tred en de melodie die eens een tophit was.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Spiegel

Lang stond Stan voor de spiegel in de hoop zichzelf te leren kennen. Wat hij te zien kreeg, hij was niet hij. Er stond een ander hem aan te staren, een onbekende met scheve stropdas en overhemd, een heldere oogopslag en een wat te smalle mond. Grote vingers kamden het haar achterover, een bekende handeling. Even was er angst om langer te kijken, naar de ogen, dat vooral. Het was of ze iets zagen wat verder lag, ergens in het verschiet. Hij deed een stap achteruit en nog een, tot voor de kast. De man in de spiegel stond daar, keek indringend. Hij wist het, wist ervan.
Stan deed een stap naar voren, nog een, boog zich naar het spiegelglas, keek de man recht en zei: ‘Kom maar op jij, kom maar op’.
Pas toen, zo heel dichtbij, viel zijn oog op de kleine foto, een foto die daar al jaren was, schuin gestoken in de houten lijst. Een fotootje van zijn kleine zelf. Nog eens tuurde hij in de spiegel, zag niet de jongen maar een man was het, zomaar eentje.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Zondagen

Op zondagen lag mijn vader nog in bed. Beneden lag voor ieder een rozijnenbroodje op het bord. Op zondagochtenden aten we met servetten en slopen we door het huis. Bij ieder mogelijk geluid klonk een sssttt. Daarna gingen we met mama naar de kerk. Ze hield ervan om met de fiets te gaan. Ze fietste achter ons, alle mensen die we zagen of ons voorbij gingen, groetend. Daar, in de kerk, waren we misschien nog wel het meest een familie. Binnen was er een andere wereld, een kerkwereld. We kenden de mensen, de kinderen, de gezinnen, hun huizen, vaak ook iets van hun geschiedenis en familie. Het mysterie van de me mis, de terugkerende liturgische teksten, het bracht ons, mij in elk geval, troost. Het gaf me houvast, structuur, zoiets.
Hoe de mensen op zondag waren verschilde van door de week. Ze waren rustiger, kwamen me zachter en vriendelijker voor als ze knikgroetend en in hun zondagse goed, de banken inschoven naar hun veelal vaste plaats. Pastoor Daniels liep in een gebreide trui, hij had een groene en een bruine, met net boven de kraag zijn priesterboord. Om zijn hals, iets boven zijn omvangrijke buik, bungelde aan een smalle riem een kruisbeeld. Hoewel hij zich voorzichtig schuifelend voortbewoog, merkte iedereen hem op. Hij was een vriendelijke goedlachse man met bolle ogen. Zacht fluisterend maakte hij een praatje met enkelen.
Ik mocht hem graag. Het leek me dat hij een lieve vader of opa had kunnen zijn en ik vroeg me af of hij vroeger verliefd was geweest en op wie, wie de truien voor hem had gebreid. Ik verdacht een van de oudere dames ervan.
Als je weduwe was, en je miste liefde, dan was de aandacht die pastoor Daniels, vooral aan de dames gaf, een mooi alternatief en had je voldoende argumenten om een warme trui voor hem te breien, de trui die je man geweigerd had te willen dragen.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Boekenkast

Hij is oud, een jaar of negentig meen ik. Een kast met boeken siert zijn kamerwand. Ik kijk naar hem en naar zijn boeken. Ze hebben iets van elkaar zonder dat ik precies kan zeggen wat. Het moeten haast zijn ogen zijn die glans krijgen als ze even langs de kleurige ruggen glijden.
De personages, verhalen en alle woorden, ze zijn verdwenen in een verre mistigheid, maar niet de boeken zelf, ze staan hier zij aan zij als stille getuigen. We kennen elkaar pas een paar maanden, eigenlijk weet ik niet of hij mij herkent, hij doet in ieder geval alsof. Hier zit hij, steevast in zijn bruine pak in een comfortabele stoel met op het hoge rond tafeltje ernaast een opengeslagen boek. Het is op bladzijde tweeënvijftig open blijven liggen, twee- en drieënvijftig welteverstaan. Ze zijn wat morsig en geel. Zijn bril met koker, een agenda en vulpen liggen erboven, keurig naast elkaar. Al heb ik hem nooit zien lezen, ik volg zijn blik en lees de titels: Armoede, De stille wereld, In de eerste cirkel, Dwaasheid, Stille kracht, De avonden. Het is door de titels dat een vraag in mij opkomt: ‘Leer ik zijn leven kennen als ik alle titels aaneen zou schrijven tot een verhaal?’ Het zou een lange wonderlijke reeks worden, een duistere lyriek. Misschien zal ik titels moeten herschikken of combineren. Nee, het moet oprecht zijn, in zijn volgorde: linksboven beginnen, boek voor boek, plank voor plank. Of misschien, dat zou ook kunnen, de namen van de schrijvers er tussen.
Ik zou het hem, bij voorkeur op een zachte zomeravond, willen voorlezen. Hier, naast hem zittend en met de deuren open naar de tuin. Bij een goed glas wijn zou ik het lezen, traag en zacht als was het hemelse poëzie.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Mevrouw Timmerman

Het is nacht, de klok in de gang vertelt dat het 4 over twee is. Ze loopt daar zomaar in haar ponnetje in de schaarse verlichte gang. Het lijkt of ze naar iets op weg is, haast heeft.
Zuster Sara kan haar amper inhalen. ‘Mevrouw Timmerman, mevrouw Timmerman’, waar gaat u naar toe?
Ze lijkt het niet te horen, haast zich voort. ‘Maria, Maria, wacht even’, roept Sara. Maar Maria moet voort moet verder. Bethlehem is ver, erg ver en wie weet komen ze te laat. En wat dan…?
Als ze naast elkaar lopen lijkt Maria zich bewust van de rare gang van zaken. Ze kijkt schuldbewust van haar blote voeten naar haar gebloemde pon en dan naar zuster Sara.
Verbouwereerd nemen ze beiden plaats op het bankje in de gang. Maria kijkt onzeker om zich heen.
De jonge zuster lacht de ongemakkelijkheid weg.
’Het is niet grappig hoor’, zegt Maria verontwaardigd. ’Ik dacht er weer aan, ik droomde weer dat Jozef er was. We moesten, in opdracht van de keizer, op weg voor die inschrijving. Door die reis, ik was toen hoog zwanger, ben ik mijn hele leven onrustig en gejaagd gebleven. Altijd! Als ik droom, zuster, dan droom ik telkens van die reis’.
Zuster Sara knikt.
Mevrouw Timmerman vertelt van de kou, van de vermoeidheid, van de bevalling die ze voelde naderen, van de lieve zorgzaamheid van haar man Jozef en van de trouwe ezel die hij van z’n laatste centen voor haar had gekocht.
‘Alles, werkelijk alles was vol, ieder bed, iedere herberg.’, vervolgt Maria. ‘Het had maar een haartje gescheeld of ik was bevallen onder de sterrenhemel. Gelukkig troffen we een aardige herbergier. Hij had een stal dichtbij. Daar waren een paar dieren, een os en een ezel, als ik me goed herinner. In ieder geval was het er lekker warm’.
‘Bent u bevallen in een stal?’, de zuster kijkt haar met grote ogen aan. Het is niet helemaal goed met mevrouw Timmerman, denkt ze.
‘Ach, die bevalling was het punt niet’, zegt Maria. ‘Dat ging redelijk gemakkelijk. Jozef was meer dan een volleerde vroedman’. Ze lacht ontroerd.
‘We legden ons zoontje in een voerbak die stond daar. Ik had natuurlijk wel wat warme doeken bij me, dat snap je’. De ogen van de zuster staan nu op scherp. Wat een verhaal hier op de gang in het schemer van de nacht.‘Weet je waar ik, al die jaren nog vaak aan denken moet?’
Zuster Sara weet het niet. ‘
‘Aan die herders’.
‘Herders?’
‘Ja, herders. Ze stonden daar opeens, midden in de nacht. De dag erna kwamen nog drie belangrijke mannen met luxe geschenken’.
‘Maar Maria, wat fantaseer je toch. Dat kan toch allemaal niet? Kwamen die allemaal in die stal?’
‘Ja, echt waar. Weet je, die herders, ze kwamen zo van het veld. Ruwe bonken waren het. Hun schapen hadden ze achtergelaten. Ze vielen op de knieën voor het wiegje, nou ja, voor de voerbak’.
Zuster Sara slikt een keer en knikt.
‘Die mannen vertelden dat ze een ster zagen, een bijzondere ster. Opeens hadden ze ook een enorm licht in het donker gezien en waren er stemmen geweest, stemmen als van engelen! Ja, zo vertelden ze het. Je kunt het niet begrijpen, maar toen die mannen daar zo op de knieën vielen, ik heb het later vaak tegen Jozef gezegd, toen voelde ik dat dit, dat dat daar in die stal met die mannen, iets van de hemel was’.
‘Iets van God, bedoelt u?’, stamelt Sara.
Maria knikt, kijkt in een verte en gaat verder: ‘Ik zei het tegen Jozef: Dit komt van de hemel! Dit is een kind van God! En het was zo. Geloof me of niet, het was zo! Mijn oudste, hij is er niet meer, maar hij was van God!’ Maria buigt zich voorover, legt haar hand op de onderarm van de zuster en vervolgt ernstig: ‘Vertel dit morgen maar niet tegen je collega’s. Beloof je met dat?’
Sara glimlacht en knikt. ‘Nee, mevrouw Timmerman, ik zal het niet vertellen. Het is ons geheim’.
Maria knijpt nadrukkelijker. ‘Je mag het ze niet vertellen. Weet je’, ze schuift nog dichterbij, ‘ze geloven je niet. Echt niet. Er zijn maar een paar mensen die het kunnen geloven. Jozef zei dat ik er maar over op moest houden, maar dat kan ik niet. In deze tijd van het jaar, ’s nachts als ik naar de sterren kijk, dan komt het weer. Dan ben ik weer op weg naar Bethlehem’.
‘Kom mevrouw Timmerman, ik breng u naar bed. Is dat goed?
‘Ja, dat is goed. Niet vertellen morgen, he? De mensen begrijpen het niet, maar ze moesten eens weten, zuster, ze moesten eens weten’.
‘Ja, mevrouw Timmerman, ze moesten eens weten. Ik laat de deur op een kier. Goed? Welterusten’.
‘Welterusten’.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Cornelis

Voor mijn deur stond hij , de jongere versie van de Cornelis die ik kende van foto’s die ik minutieus had bestudeerd. In een seconde nam ik hem op: warrige krullen, grote ogen, bruin manchester pak, stevige bruine schoenen. Misschien was hij een paar jaar ouder dan ik. Zijn muisgrijze Simca zag ik achter hem langs de weg staan.
‘Waarvoor moest ik komen? Wat wil je van me weten?’, vroeg hij aarzelend. Zijn donkere stem klonk evengoed ernstig.
‘Zoals ik u al aan de telefoon heb uitgelegd, zou ik graag iets van uw familiegeschiedenis weten. Ik vermoed namelijk dat er verwantschap is tussen die van u en de onze’.
‘Moet dat hier?’, vroeg hij, keek om zich heen en daarna de gang in.
‘Ik heb zojuist thee voor ons gemaakt en binnen kunnen we even rustig zitten aan de tafel’.
Hij leek enigszins gerustgesteld, maar ik zag dat hij twijfelde om naar binnen te gaan.
‘Wees maar niet bang. Ik ben alleen thuis’. Dit zou hem op z’n gemak stellen meende ik.
Nadat hij nadrukkelijk zijn voeten had geveegd liep achter me aan de gang in. Ik stelde me voor hoe hij alles in zich opnam. Geen detail zou hem ontgaan. In de keuken nodigde ik hem uit om plaats te nemen op de stoel aan de overzijde van de tafel. Ik had wel eens gehoord dat mensen het in een vreemde omgeving prettig vinden om zicht te hebben op de deur. Gezien zijn aarzeling, was hij daar wellicht het meest op zijn gemak.
Ik vulde twee mokken met thee, zette de theepot terug onder de muts, reikte hem de zijne aan, schoof de suikerpot zijn kant op en nam met mijn thee plaats tegenover hem. Pas aan tafel viel me het litteken boven zijn rechter oog op. Het liep schuin over zijn slaap. Het stak licht af op zijn verweerde huid. Zijn grote groene ogen keken me strak aan. Om zijn blik te ontwijken keek ik hoe hij met zijn grote handen zijn ellebogen omvatte en werd me bewust van mijn eigen ongemak met de situatie.
Naar dit gesprek had ik uitgezien. Ik had het voorbereid en me voorgesteld hoe het zijn zou, had zelfs vragen voorbereid. Het had me goed geleken om het gesprek open in te gaan en niet met pen en papier voor hem te gaan zitten. De spanning die ik voelde opkomen had ik niet ingeschat. Niet één van mijn kloeke vragen wilde me op dat moment te binnen schieten.
Zijn eenvoud was me opgevallen, zijn brede, imposante postuur en vooral zijn ietwat strenge vragende ogen. Ze verwarden me. Doordat hij naar mijn handen keek, voelde ik hoe ik de warme mok maar rond bleef draaien. Allerminst van zijn stuk keek Cornelis mij aan. Hij leek op een vraag of opmerking van mij te wachten.
Om mijzelf wat ruimte te geven stond ik op mompelde iets over voorbereiding, onderzoek en alvast genoteerde vragen, nam m’n notitieblok uit de bureaulade en sloeg het kaft om.
‘Ha ik zie het al’, zei ik ferm. ‘Mag ik vragen waar u geboren bent?’ Ik negeerde zijn frons. ‘De familie van mijn moeders kant komt oorspronkelijk uit Zuidoost Drenthe. Voor de naoorlogse industrialisatie hebben ze er op verschillende plaatsen rond Emmen gewoond en op verschillende boerderijen gewerkt. Het was bittere armoede zoals u vast wel weet. Het lijkt of uw moeder, daar stuitte ik op, plotseling is verdwenen. Na wat speurwerk heb de reden daarvan niet kunnen achterhalen. Ik dacht dat u me, om het verhaal compleet te kunnen maken, daarover misschien meer zou kunnen vertellen’. Dat ‘ge-u’, waarom deed ik dat? We verschilden hooguit enkele jaren.
Aan de overkant van de tafel bleef het stil. Ik zag hoe hij met de toppen van zijn geel bruine rechter wijsvinger heen en weer wreef over de ribstof van zijn jasje. Een straffe roker, vermoedde ik en ook zijn eelthanden en donkere nagels bij de randen verraadden ambachtelijk werk.
Zijn stem klonk zwaar, niet boos, wel nadrukkelijk. Het verbrak de stilte die er tussen ons hing. ’Mijn moeder is dood. Ik weet niets van haar afkomst’.
‘Misschien vindt u het, net als ik, ook leuk om wat meer van uw familie te weten. De kinderen, zowel de jongens als de meisjes van onze overgrootvader, werkten mee in het veen. Ze hadden het niet breed, maar redden zich. Voor de mobilisatie hebben ze…’.
‘Mevrouw’, resoluut onderbrak hij mijn relaas, boog zijn schouders naar voren, boorde zijn blik in de mijne en vervolgde: ‘zoals ik al zei, mijn moeder is dood. Ik wil maar één ding en daarom ben ik hier. Ik wil dat u haar en mijn leven laat rusten. Begrijpt u mij? Rusten betekent rusten!’
Hij stond op en als vanzelf volgde ik zijn voorbeeld. Hij schoof de stoel onder de tafel knoopte zijn jasje dicht en ging mij voor naar de gang. Pas bij de voordeur draaide hij zich om en viste zijn autosleutel uit zijn diepe broekzak. Hem aankijken durfde ik niet, richtte me daarom op de sleutelhanger, een plastic miniatuur drankflesje waarvan ik de merknaam niet onthield.
‘Laat, mevrouw, ons leven met rust’.
De woorden echoden na in mijn hoofd. De man die een vreemde was en toch ook familie, de man wiens naam ik niet zal noemen, de man die mij met mevrouw had aangesproken, reed na een paar keer starten met zijn Simca pruttelend weg uit een verhaal waaraan ik zo hoopvol was begonnen.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Mens erger je niet

‘Is er vanavond nog iets op tv?’, vraagt ze. Vanuit zijn fauteuil bij het raam kijkt Wiecher langs zijn dagblad en haalt licht zijn schouders op. Zijn ogen zoeken de tekst, maar het beeld van Ada blijft. Hoe ze daar zat. Las ze of tuurde ze dromerig voor zich uit naar de bladzijde? Hij vraagt het zich vaker af. Vanaf hier had hij het niet kunnen waarnemen. Heeft ze zijn reactie afgewacht, of wist ze al dat hij zijn schouders op zou halen? Zo weet hij heel dikwijls wat zij zeggen zal of vragen, even daarvoor is het al door zijn gedachten gegaan. Soms zeggen ze iets tegelijkertijd en verontschuldigen zich naar elkaar. Hij stelt zich voor dat er in de loop der jaren door een ragfijn netwerkje overheveling van gedachten en gevoelens plaatsvindt. Zo weet hij dat Ada straks, na het nieuws, op zal staan. Hij bedenkt hoe ze voor ze opstaat eerst haar rechter en dan haar linkervoet in haar pantoffels zal steken. Altijd wacht ze even voor ze naar de keuken gaat om een kopje koffie voor hen beiden te maken. Al weet ze zijn antwoord, toch zal ze vragen of hij er iets bij wil. Dat ergert hem. Tegelijkertijd minacht hij zichzelf om zijn eigen kinderlijke reactie.
Hij vraagt zich af welke dag het is, het moet zaterdag zijn, immers gisteren was er markt en is Francien langs geweest. Vanavond na de koffie als Ada een borreltje voor hem en een glaasje wijn voor zichzelf heeft ingeschonken, zal ze als ieder zaterdagavond, de rode doos uit de ladekast pakken, het bord op tafel zetten, rechtsonder voor hem alvast de rode en voor zichzelf de blauwe pionnetjes klaarzetten. Als altijd zal ze vragen: ‘Zal ik beginnen?’.
Nooit spelen ze iets anders en altijd maar een keer. Ada wint meestal. ‘Zo meneertje, daar ga je’, zoiets zal ze zeggen, niet zonder leedvermaak. Ze zal venijnig tellen en met haar pionnetje nadrukkelijk op het bord tikken om de zijne er daarna met een zwiep af te gooien. Naar voorbeeld van het sacherijnige heertje op de rode doos, doet hij of zijn boosheid gespeeld is en belooft haar de volgende zaterdag te zullen revancheren. Zelf heeft hij een regel ingesteld om het spel te lengen, heel wat jaren geleden al: een witte pion die je niet voorbij mag. Eenmaal op zijn plaats, dan mag deze naar believen worden verplaatst. Nu heeft hij niet meer de moed niet om te zeggen dat hij die regel wil herroepen. Hij heeft domweg niet het lef haar te zeggen dat hij de routine en het eeuwige speelbord niet meer verdraagt.
Hij laat de krant iets zakken en kijkt naar Ada. Haar altijd pijnlijke voeten heeft ze op het kussen van de kruk gelegd. De boeken naast haar op de tafel zijn zonder twijfel de nieuwste engelse romans. Nooit leest ze iets anders dan verhalen over oude engelse aristocratische geslachten. Als ze leest, heeft ze, zoals nu, haar leesbril op het puntje van haar neus en blaast ze telkens een haarkrul weg. Hij kent haar, iedere rimpel, iedere gewoonte. Hij vraagt zich af waar haar schoonheid is gebleven. Houdt hij van haar? Hij moet het antwoord schuldig blijven.
Straks, zo weet hij, zal ze vragen: ’Wat kijk je? Heb ik iets van je aan?’ Hij zucht en slaat de pagina om. ‘Inflatie groeit ondanks oplopende rente’.
‘Zei je iets?’, vraagt ze.
‘Nee hoor. ’t Is niks’.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Dichte deur

Ze had gemorreld, geduwd, had de ronde ring naar links, naar rechts en nog eens naar links gedraaid. Ze had er een paar keer haar volle gewicht tegenaan gezet, maar de donkerrode deur had geen enkele weerstand geboden. Het bordje, wat terloops tegen de muur van de zware rode bakstenen muur gezet, leek haar uit te lachen met zijn royale tekst: ‘Welkom. Kerk open’.
Er binnen gaan, er was niet echt een noodzaak, niet eens een heilig moeten. Toch, nu ze de weg naar hier had afgelegd, het gevecht met de deur was aangegaan, daar zo stond en het verdomme ook nog begon te miezeren, leek het op een afwijzing van alzo hoge. Ze maakte zich plat, duwde haar rug tegen de deur om te kunnen schuilen in de ondiepe nis. Grappig, alleen haar voeten werden nat.
Even dacht ze dat ze het zich had verbeeld, maar nu hoorde ze toch duidelijk dat binnen het orgel werd bespeeld. De melodie was haar onbekend, maar het klonk wonderschoon. Ze voelde tranen opkomen. Het was het orgelspel, dacht ze. Het kon ook de regen zijn, de gesloten deur of misschien wel de reden van haar komst. Ze keek omhoog waar de wolken zich samenpakten tot een grijs geheel. Achter haar rug zweepten de orgelklanken tot grote hoogten. Ze had ergens gelezen dat orgels in de kerken te lijden hadden onder de sluitingen, nu mensen geen behoefte meer leken te hebben aan troost of bemoediging. Zij had het wel, maar hier stond ze buiten in een druilerige regen. ‘Welkom. Kerk open’.
Waarom zou ze naar binnen willen gaan? Hier buiten kon ze evengoed bidden. Ze vouwde haar handen die nu ook een beetje regen vingen en sloot haar ogen. Hoe deed je buiten bidden eigenlijk in ee nis met de rug tegen de deur geduwd? Ze prevelde iets over haar komst, iets waar de Almachtige hoogstwaarschijnlijk al van op de hoogte was. Het orgel speelde nu zachter, ingetogener. Opnieuw waren ze er, haar tranen. Hopelijk werden ze door de Eeuwige opgemerkt.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Tuinhandschoenen

Als je ogen wat beter gewend zijn aan het schemer dan zie je links de spullen die ze gebruikte, als altijd keurig geordend. Niet iedere dag werkte ze aan haar tuin. Zo ongeveer vanaf maart moet je rekenen. Kijk, de spinnen hebben een web geweven en alles verbonden. Ach hier, hier liggen haar handschoenen. Nooit, niet één keer zag ik haar werken zonder haar kleurige rode handschoenen. Altijd rode. Werkloos liggen ze terzijde van wat nu dode spullen zijn.
Ik zei je toch dat ze ze daar heeft neergelegd. Het weer was goed, ze wilde morgen verdergaan. Er moest nog het een en ander verpoot, gescheurd, gesnoeid. ‘Morgen’, zei ze, ‘moet het maar gebeuren. Het is juist een goede tijd.
Alleen haar handschoenen bewaren de vorm van haar handen in zich dragen?

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Bellen

Het kind kijkt verwonderd naar wat zij heeft gedaan. Dunner zijn ze dan glas. Sterk en kleurig zweven haar bellen in het zomerse zonlicht. Ze wil ze pakken, maar verder gaan ze, verder en hoger. Tot ze uit elkaar spatten en er, o wonder, niets meer is. Waar zijn ze gebleven, de wonderbollen, de mooie lichte?
Opnieuw en op nieuw blaast ze bellen uit het sop. Ze ziet zichzelf weerspiegeld in die ene. Meer en meer zweven er boven haar glimlach. Ze houdt van de kleine, maar het meest van de grote met een kleintje eraan vast. Toch spatten ook die kapot. Nooit genoeg krijgt ze van de betovering. Als ze slaapt droomt ze van de bellen die haar meenemen naar het wolkenland waar alles anders is, mooier lichter en groter..
Maak haar niet wakker. Laat de dag niet komen, de dag waarop ze weet dat alles wat ze maken zal, zelfs het goede en het mooie, een einde kent, dat zelfs haar dromen en verlangens, de liefde en de vreugde, ooit uiteen spatten als haar bellen. Nu ligt ze daar, veilig warm en droomt de wereld mooi.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Voor rood

Hier sta ik en wacht volgens afspraak voor de streep. Ik laat me, ongeduldig als ik ben, leiden door het licht, tik het ritme van de seconden mee met mijn vinger op het stuur. Links naast mij staat een man met een slordig baardje, voorop in het zitje een meisje. Ze draagt een roze jasje en laarsjes in dezelfde tint. Ze kijkt me ernstig aan met haar donkere ogen. Het vroege licht valt door haar fijne zwarte krulletjes. Ik vraag me door die krulletjes af of ze zijn dochter is. Ze draait zich naar hem toe en vraagt: ’Ga jij mee naar binnen?’. Hij antwoordt niet, is in gedachten en mompelt iets onverstaanbaars.
De rode auto naast hem maakt rustige plofgeluidjes. Over haar stuur kijkt een dame in de binnenspiegel, perst haar lippen samen en veegt met haar wijsvinger iets uit haar mondhoek. Met twee vingers van haar linkerhand trommelt ze ritmisch op het stuurwiel.
Er huist haastige onrust in ieder van ons. Ik stel me voor hoe we straks arriveren. Eenmaal op de plaats van onze bestemming zullen we ons vervolgens opnieuw haasten naar het einde van de klus, de opdracht of het einde van de dag. De lucht betrekt en we hebben vanmorgen een gure wind tegen.
Waarheen we ons ook haasten, hier achter de streep, wachtend voor rood, zijn we even tot elkaar en tot stilstaan veroordeeld.. Hoopvol kijken we schuin omhoog. Nog tien, negen, acht Onze voeten zoeken vast de pedalen en voorover buigend zetten we ons in beweging. We gaan.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Reddingsboei

In al die jaren was er niet één schipbreuk, is geen mens over boord geslagen, was niemand in nood. Wel werden drie pleisters geplakt, werd een meisje en een dame onwel. Een slokje water had al soelaas geboden. Een keurige heer gleed uit op het dek. Het was een komische val met weinig kwetsuur. Jij kwam er niet aan te pas.
Drie keer al werd de pont opgeknapt en al was het een andere tint, weer blauw geverfd. De dieselmotor is vervangen net als de laadklep. Geert heeft het groen van je lijf geboend en je weer teruggehangen voor je weet maar nooit.
Voor je weet maar nooit, voor het als en dan, voor dat ene, daarvoor hang je er te hangen. In weer en wind. Bij nacht en ontij bungel je tegen de kleine kajuit. Je hangt daar prominent, bent niet te missen, met je touw, je wit en rood.
Dagelijks klonteren fietsers en voetgangers, luid lachend en met bravoure,zic om je heen. Bij hevige regen en noodweer duiken ze weg in hun jassen en cape’s. Wat verveeld zie jij het aan. Je weet immers maar nooit.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Kaarslicht

Het is winter en te vroeg al donker. Ze letten er niet op, hebben er geen weet van dat achter hen op de muren van de kleine kamer hun schaduwen hangen, grimmig, donker en groot. Verweesd staren hun ogen naar de vlam alsof een visioen te verwachten is, een beeldspraak, een boodschap van een engel.
Niets is er te zeggen. Woorden lijken te simpel en goedkoop. Soms even is een gedachteloze zucht hoorbaar, wordt een voet verplaatst, lucht tussen strak op elkaar geklemde tanden gezogen. Wie weet zijn er later woorden, is uitleg mogelijk, is een verklaring denkbaar. Nu is er enkel de stilte.
Door de warme gloed is het of een oude meester hun droef gelaat op doek heeft vastgelegd. Het zijn diepe schaduwen onder hun samengetrokken wenkbrauwen in een zacht licht dat hen samenbindt. Wat er tussen hen hangt is een niet weten en angstige onvermijdelijkheid. Vooreerst is er enkel de eigen stille taal die spreken mag.

Meer lezen