Waar liefde voor taal begint komen verhalen tot leven. In zomaar een ontmoeting, in een aarzelend uitgesproken woord, in een stil vermoeden ligt hun oorsprong. Als kind schreef ik verhalen en ben nooit ben daarmee opgehouden. Tijdens mijn werk als geestelijk verzorger vertellen mensen mij over de onvermoede kracht die schuilt in dromen en verlangens. Zij vormen de grondtoon van mijn werk.
Berthe Omvlee
Auteur
De Eva
‘De Eva’ is de voorlopige titel van de roman waar ik op dit moment aan werk.
Hier deel ik alvast een fragment: Lees meer
Waken
Achter de berg van kussens die ze om hem heen hebben geschikt is het gezicht van zijn vader nog amper zichtbaar. Wat Daan nog van hem waar kan nemen vanuit zijn stoel is een toefje grijs haar, een stukje van zijn voorhoofd en de punt van zijn neus. Het is niet echt ademhalen wat zijn vader nu doet. Het is een soort zacht ritmisch reutelen. Ook zijn doodgaan - sterven, als dat een beter woord is voor wat er gaande is - lijkt hij onder controle te hebben. Een bescheiden, ordentelijk en geleidelijk heengaan is het. Zo heeft hij het bedacht, gewild, geregisseerd misschien. Zijn zo vertrouwde rechterhand oogt niet meer als die van de vader, lijkt wasachtig, de aderen meer aan de oppervlakte. Het is de hand van een vreemdeling geworden. Even huivert Daan als hij de slappe vingers in de zijne neemt en de trouwring van zijn vinger voorzichtig voorbij de knokkels schuift. ‘Corry, vijf april 1972’, zegt hij zacht, staat op en legt het in de bovenste la in het open doosje waar ook die van zijn moeder bij een paar van haar sierraden ligt. Vader had na haar dood niet twee ringen willen dragen. ‘Mensen met een dubbele ring laten zich op hun positie voorstaan. ‘Een zielige hunkering naar aandacht’, zei hij er eens over. Het klonk, zoals alles wat hij beweerde, stellig, heel stellig. De levenslange schoolmeester. Tegenspreken kon wel, hij hoopte er heimelijk op, lokte het zelfs uit, maar wilde je een lange discussie met evenveel stelligheid vermijden en dat wilde je, dan deed je er beter aan het er bij te laten.
Daan heeft niet zoals Aafke bij zijn vader in de klas gezeten. Of vader hier de hand in heeft gehad dat weet hij niet. Hoe dan ook, het is hen beiden dan maar mooi bespaard gebleven. Hoe vaak is die arme Aaf niet verongelijkt thuisgekomen, heeft ze zich niet bij bij hem of bij moeder beklaagd? Dan weer was ze overgeslagen, had ze haar opstel niet mogen voorlezen of was het cijfer voor haar spreekbeurt onredelijk laag.
Zijn vader is nooit hoofdmeester geworden terwijl het toch zeker zijn ambitie was. Hij heeft voor zover Daan het zich herinnert als vaste inval meester Hoogstraten maar twee keer vervangen.
Nooit, ook niet bij Aaf, heeft hij de sollicitatiebrief ter sprake gebracht die hij voorzien van een recente datum in zijn bureaula had aangetroffen. Een week na de de eerste invalperiode of misschien een paar weken erna, had hij ‘m niet meer gevonden. Je kon er gif op innemen dat moeder hem dat uit het hoofd had weten te praten. Ze hield van het dorp. Door haar werk, ze was verloskundige, kende ze veel mensen.
In één van de invalperiodes van zijn vader was de brand geweest, een brand die ontstaan was in de jongenskleedkamer, achter de gymzaal. Het alarm was die zomerochtend afgegaan onder rekenen. Verbazingwekkende ordelijk hadden meesters en juffen de kinderen naar buiten geloodst en werden ze geacht op het plein achter de gele lijn te blijven. Met bange gezichten zochten de kleinsten hun grotere broer of zus. Hij herinnert zich hoe hij toen Aaf had gemist. Braaf en bedremmeld stonden alle kinderen daar en al was niemand van plan de lijn te overtreden, stonden de juffen en meesters opgesteld vooraan als stramme soldaten en bewaakten de grens.
Bleek en strakgespannen keken we toe hoe een rode brandweerauto met blauwzwaailicht en sirene het plein opdraaide. Als een zwerm weken ze achteruit. Hier en daar zag hij kinderen van groep acht, ze droegen gymkleren en waren meer nog ontdaan en gespannen dan de rest.
Zelf herinnert hij het zich niet zo, maar voor de meeste grote jongens was wat zich aan hun ogen voltrok een één groot avontuur. Een donkere zware rook kwam uit een van de ramen van de kleedkamer vergezeld van de geur van smeulend rubber.
Alleen vader was niet naar buiten gekomen. Daan had hem niet gezocht, laat staan gemist. Hij had het pas opgemerkt toen Freek van der Veer hem van achteren een por in de rug had gegeven. Freek was langer, boog zich van achter over zijn schouder en zei: ‘Je vader’.
‘Hoezo?’, had hij nog gevraagd.
‘Je vader is er niet’, hoort hij de schrapende stem van Freek zeggen.
Hij schaamde zich, had niet op durven kijken. Het bloed was naar zijn hoofd gestegen en zijn hart was als een razende tekeer gegaan. Tussen de anderen door had hij zich vliegensvlug naar voren weten te dringen. Eenmaal naast meester Brandsma zag nog hij hoe twee brandweermannen platte slangen behendig uitrolden, een ander draaide verderop met een soort stuur een putdeksel open.
‘Mijn vader is er niet’, zei hij. De tweede en derde keer had hij boven het lawaai van de auto uit moeten schreeuwen. Pas toen had meester hem aangekeken.
Nadat hij en juf Gringer een paar woorden wisselden beval zij: ‘Blijf hier bij meester wachten’ en rende naar de voorste brandweerman. Aan de ernst op haar gezicht en de bewegingen van haar mond zag hij dat ze hem vertelde van vader. De man knikte, keerde zich naar de rookwolk en liep toen zonder iets van haast te maken naar de zijkant van de school, in richting de rook. De ander ging onverstoorbaar door met koppelen van slangen.
Minuten leken uren.
Eindelijk was vader naar buiten gekomen. Hoestend, met zijn zakdoek voor z’n mond, aan de arm van de brandweerman en leunend tegen diens schouder. De man zette vader op een van de stenen banken aan de rand van het plein. Daan herinnert zich dat hij naar vader was gerend, niet verder had gedurfd, niet dichterbij durfde komen. Juf Gringer had de zorg voor vader van de brandweerman overgenomen, zat naast hem om hen te ondersteunen. Daan had ze niet opgemerkt. Haar arm had ze om hem heen geslagen. Zijn altijd zorgvuldig naar achteren gekamde lok was naar voren gevallen. Ze veegde hem van zijn voorhoofd. Zo, met datzelfde gebaar, deed moeder dat bij hem als hij gevallen was of van voetbal kwam.
Toen, eindelijk, had vader zijn ogen opgeslagen. Hij glimlachte naar juf Gringer en zag toen Daan en stak zijn hand naar hem uit. Pas toen had hij dichterbij durven komen en was naast hem gaan zitten, strak tegen hem aan. Juf had haar hand teruggetrokken, precies zoals hij het bedoeld had. De ogen van alle kinderen waren op hen gericht. Daan weet nog dat hij op dat moment zeker wist dat de kinderen dit thuis zouden vertellen aan hun ouders.
Vader knipoogde, zei, tussendoor hoestend, dat het heus goed kwam, tenminste dat begreep hij. Vuil slijm hoestte hij in zijn zakdoek. Stemgeluid was niet uit zijn mond gekomen.
Daan herinnert zich alleen nog juf Gringers gele broek en dat ze de maanden daarna, eigenlijk tot ze van school was gegaan, overdreven aardig tegen hem was. Echt aardig had hij haar nooit gevonden.
De brandweermannen waren uiteindelijk met emmers water de smeulende gymtoestellen gaan blussen, rolden even later de slangen op, laadden alles weer in en reden van het plein nagestaard door ruim honderd kinderen. Meester de Groot, blies op zijn fluitje en sommeerde iedereen naar de eigen klas te gaan. Van die dag herinnert hij zich verder niets, niet hoe het op school verder ging en niet wat er thuis over werd gezegd. Vader had niet gesproken over wat er binnen was gebeurd. De knipoog en de uitgestoken hand van zijn vader was zijn meest dierbare herinnering aan de dag van de brand. Het was iets om aan terug te denken en hij weet dat het hem nog lang licht en blij had gemaakt. Zelfs nu voelt hij het weer. Van Aaf wist hij dat de tweeling van Donkers de brand had aangestoken, dat de politie bij hen thuis was gezien. Vader had er nooit iets over losgelaten, dat kon je gerust aan hem overlaten. Zelf had hij er, het had te maken met de intimiteit tussen juf Gringer en vader, niet naar durven vragen. De gymzaal was schoongemaakt en hersteld. Ze hadden een paar weken of maanden buiten moeten gymen.
Daan staat op, zet het slaapkamerraam wijd open en ademt de zware lucht van voorjaarsaarde diep in, het eerste teken dat de winter is geweken. Hij zet het venster op een kier en neemt de trouwfoto van zijn ouders van de halfhoge ladekast. Met de mouw van zijn trui veegt hij het stof eraf. Wat stijfjes staan ze daar. Lachebekjes zijn ze nooit geweest. Hij grinnikt om de gedachte dat de fotograaf vast moeite heeft moeten doen om ze tot een glimlach te bewegen. Of ze een goed huwelijk hadden? Hij denkt het al is hij er niet zeker van. Wat is goed, wie bepaalde dat? Hij vergelijkt het hoofd in de kussens met die van de foto en vindt amper overeenkomst. Zij beiden gedroegen zich naar buiten formeel, gaven weinig van zichzelf, al was moeder opener dan hij. Dat ze elkaar respecteerden en waardeerden was wel zeker. Soms had Daan genegenheid in hun blik gelezen als een van beiden aan tafel of tijdens een visite iets vertelde over het werk. Aanrakingen, genegenheid, hij moet nadenken, vindt geen herinnering. Hij kijkt neer op het bleke vadergezicht; gesloten mond, gesloten ogen, gesloten man, gesloten leven en denkt: ‘Hoe goed kent een kind z’n ouders? Wat weten ze echt en wat is gaande de weg, ge- of vergroeid, gesleten? Wat je denkt van de ander te weten bestaat dat niet voor het leeuwendeel uit interpretaties die het kinderbrein verzamelt?’ Hij heeft wel eens gehoord dat je gevoelens of herinneringen opslaat in je darmen. Wat weet hij van deze man? Hebben zij iets gemeen? Heeft hij nog wel eens teruggedacht aan de knipoog en de uitgestoken hand? Hij vraagt het zich af zonder het antwoorden te zoeken en neemt de telefoon uit zijn zak. Niemand heeft gebeld, een bericht gestuurd, of ingesproken. Die dingen houden op als de dood binnen handbereik is. Alles lijkt in het zicht van die grens volstrekt onbelangrijk geworden, sterker nog, op iedere gestelde vraag zal hijzelf het antwoord schuldig blijven. Hier wat vertoeven bij zijn vader. Waarom wil hij dit perse? Hij kan weggaan, niemand die het hem kwalijk neemt. Maar hier zit hij, nu al een nacht en een dag en houdt een wat onduidelijke wacht. Zoals hem is opgedragen maakt hij af en toe zijn vaders lippen vochtig met een grote wattenstaaf met speciale vloeistof, meer is er niet te doen. Waken heet dit niets doen. Het woord heeft iets te maken met bescherming of hoeden.
Hij treft zichzelf even later in de keuken aan, maakt koffie en kijkt, terwijl het hete water zich door het apparaat perst, over het grasveld. Daarvoor was het moestuin en daar weer voor trapveldje. Had daar niet ook een klein schuurtje met tuingereedschap gestaan? Op zoek naar koffiemelk, een lepeltje en iets te eten, treft hem de strenge vertrouwde vaderorde achter
De ontmoeting
Het valt me telkens weer zwaar om onze eerste en enige echte ontmoeting in herinnering te roepen. Ik kan niet terughalen hoe het leven was voor we elkaar troffen, daar in het schemerlicht. Wat gebeurde kroop mijn leven binnen, vertakte zich en ik ontkwam er niet meer aan, moest er met iemand over spreken.
De stem van Eline had bij het maken van onze afspraak prettig en tegelijk zakelijk geklonken. Tijdens de intake en nu ik in haar kamer zit klopt mijn beeld met haar rustige bewegingen. ‘U moet me serieus nemen’, zeg ik en ik vraag me af of het overtuigend genoeg klinkt.
Het komt me voor dat Eline, bij wijze van uitnodiging, koffie voor me inschenkt en de mok naast de stapel tijdschriften op het tafeltje links van mij zet. Het is er eentje met grappige ronde dames. Zelf neemt ze plaats schuin tegenover mij en klemt haar ranke vingers om haar mok. Ze kijkt me aan, nodigt me niet uit om te beginnen. Dat maakt me onzeker. Pas als ze meer achterover gaat zitten, haar lange benen over elkaar slaat en de wijde pijpen van haar witte broek schikt, durf ik te vragen of ze wil dat ik het vertel. Met een kort knikje beantwoordt ze m’n vraag. Alleen mijn woorden komen niet, blijven nog voor ze mijn mond bereiken ergens haken in mijn keel. Rustig en beheerst schudt ze met één beweging haar blonde haar achter haar schouder. Natuurlijk, zij is professional, is eraan gewend om de meest bizarre verhalen aan te horen, maar naar mij moet ze luisteren zonder die superieure beheersing. Ze moet aandachtig zijn, begrijpen hoe lastig het voor mij is.
Ze knikt weer, draait haar mok rond en zegt: ‘Begin maar gewoon, Joost’.
‘Ik woonde…’.
Ze komt iets naar voren, schudt het haar over haar rechterschouder.
‘Ik woonde vorig jaar in Groningen in een studentenhuis. De studie viel me zwaar en het was daarom fijn dat ik het huis in het weekend voor mezelf had. Ook die vroege zaterdagochtend was ik alleen thuis. Ik zat plotseling rechtovereind, was klaarwakker en hield m’n adem in, hoorde alleen mijn eigen onrustige hartslag. Waar ik wakker van was geworden, wist ik niet onmiddellijk. Geleidelijk drong tot me door dat ik een stem had gehoord. Voorzichtig, schoof ik mijn kussen wat omhoog en luisterde scherp. Het bleef stil. Er viel licht de kamer binnen door het grillige patroon in de gordijnen.
Het was bijna twee uur. Evengoed schrok ik van de twee klokslagen van de Martinus. Ons huis was er namelijk schuin tegenover. Het geluid, ik bedoel het geluid waarvan ik wakker was geworden, kwam van dichtbij, van de overloop, van de galerij, of kwam het toch van beneden? Ik kon het niet bedenken. ‘Godverdomme, ga dan kijken sukkel’ dacht ik, gooide m’n benen buiten boord en wist mijn trui van de stoel te grissen. Toen ik de trui over m’n hoofd trok hoorde ik het weer. Ja, het was iets dat leek op een stem, een mannenstem. - Ik kan het nog in me oproepen. - Ik trok m’n broek aan en hield mijn adem vast. Het leek stiller dan ooit. Licht maken was op de een of andere manier geen optie. De koelte herinner ik mij en hoe m’n voeten plakten bij iedere stap op de tegelvloer. Eenmaal bij de deur hield ik opnieuw mijn adem in, duwde behoedzaam de klink naar beneden en opende de deur. Weer die mompelende stem. Als bevroren stond ik daar, de klink als enig houvast. Na een paar stappen, stond ik stil, draaide de sleutel van de verandadeur om en duwde hem met mijn linker arm naar buiten. Geen idee wat ik riep. Mijn luide schreeuw klonk hees in de nacht’.
Mijn adem zit hoog. Ik neem een slok van mijn koffie en draai de kop tussen mijn handen, net als zij gedaan had. Ik ga iets voorover zitten als ik voel dat zweet langs mijn rug loopt. Ik ben begonnen en al weet ik niet goed hoe, ik moet nu door. Elines houding is niet veranderd. Ze knikt weer. Ik laat me achterover zakken en vervolg mijn verhaal: ‘Voor mijn ogen doemde uit het vage licht van de lamp aan het eind van de galerij een gestalte op. Zijn houding en postuur herkende ik. Ik was het zelf. Een oudere versie. Het gezicht van de gestalte zag wat grauw en was getekend, z’n haren waren verward en bij de slapen al grijs. Ik staarde hem aan, zag de ernstige blik, betrokken en peinzend. Hij droeg een te grote zware jas, bijna identiek aan de mijne. Hij tilde z’n arm op en liet ‘m weer vallen, een wat onbeholpen gebaar dat ik kende. We stonden daar wat te staan en ik tilde even mijn arm op. Ik bedacht niet eens dat ik hem aan zou kunnen raken. Gek dat nu zo’n gedachte in mij opkomt. Mijn angst maakte langzaam plaats voor vertrouwdheid. Tegelijkertijd was er een gêne die te maken had met mijn kleine ik die wat hulpeloos in de deuropening tegenover hem stond en niets wist te doen of te zeggen. ‘Papa?’, het was de enige vraag die in me op wilde komen, maar ik zei niets, bleef naar hem kijken. Uit de beweging van zijn mond en zijn hulpeloze handgebaar las ik dat hij iets wilde zeggen’.
Ik aarzel even, herpak me en zet mijn verhaal voort.
‘Zoals hij was gekomen, zo ging hij. Zijn gebogen gestalte verdween aan het eind van de galerij in het donker. Ik was alleen. De lucht voelde vochtig en kil. Het was of de lege veranda mij aanstaarde en lachte om hoe ik daar maar wat stond. De kou en de verlatenheid van dat moment kan ik nog voelen.
In de lichtbundel van de stalling beneden zag ik een man opstappen en wegfietsen en ik bleef luisteren tot het knersende geluid van de fiets wegstierf. Mijn hand vond als vanzelf de lichtknop. Voor ik de sleutel langzaam omdraaide keek ik om en legde hem op het plankje. In het donker van mijn kamer liet ik mij op het bed vallen, rolde op m’n zij en huilde’.
Het blijft een tijd lang stil. Ergens in het gebouw valt een deur in het slot, iemand lacht.
‘Hij bezocht me vaker’, vervolg ik. ’Een paar maanden later zag ik hem in de rij bij het stembureau en weer later fietste hij aan de overkant voorbij’.
Dat ik iets achterhoudt doet er niet toe. Dat ik het grootste deel in ieder geval onder woorden heb weten te brengen is belangrijk.
Eline zwijgt, vouwt haar handen om haar knie, buigt voorover en kijkt me aan. Ze zegt iets tegen me, dat zie ik. Ik hoor niet meer wat. Er is opeens een onwaarschijnlijk heldere gedachte. Deze ontmoeting zal, het kan niet anders, mijn leven veranderen.
Straat
Door mannen op hun knieën steen voor steen gelegd. Het is een straat als alle anderen, maar het is de straat waar mevrouw Koster woont en loopt en zingt. Ieder kent haar vlugge tred, de kaarsrechte houding, de melodie van het lied dat eens een tophit was. Als het regent, een klein beetje maar, dan draagt ze een regenjas en laarsjes, maar nooit een plu. Als de zon schijnt draagt ze een bloemenjurk en muiltjes. Bij koud weer blijft ze binnen, bij de haard, zo denken wij.
Mevrouw Koster is niet groot, niet klein, gewoon gemiddeld, draagt haar haren in een knot, twee grote ringen om de vingers van haar rechterhand en haar boodschappen draagt ze in een ronde mand aan haar linkerarm.
Ze groet ons met een knikje en haar zoete lach, staat zelden stil, maar staat ze stil dan bestudeert ze een plantje in een tuin. Thuis, zo menen wij, zoekt mevrouw Koster de Latijnse naam ervan op in haar encyclopedie.
Ze woont hier op de hoek, op nummer tien, het huis met de erker en de rode deur. Ze heeft geen tv, leest boeken in haar stoel voor het raam. Soms kijkt ze even op, ziet mensen komen en weer gaan.
Mevrouw Koster kent de namen van de de mensen in de straat. Ze schrijft ze op, vermoeden wij, in een klein boekje. We kennen mevrouw Koster, weten dat haar man heel vroeg is doodgegaan, al weten we niet waaraan. We kennen haar rode voordeur met het kleine raampje, haar gele kanariepiet, de rode loper in de gang. Verder gaan we niet.
Mevrouw Koster geeft gul voor ieder doel en geeft ieder kind een snoepje mee.
Ze is van gegoede huize, drinkt ’s middags om drie uur thee met een koekje en ’s avonds eentje rond de klok van acht.
Mevrouw Koster is gestorven, lezen wij, op vierentwintig maart. Een zwarte auto rijdt langzaam de straat uit, een straat als alle anderen. Het is de straat waar mevrouw Koster niet meer woont en loopt en zingt. Ze lijkt verlaten en leeg, mist de vlugge tred en de melodie die eens een tophit was.
Mijn hand
Wie je bent, of je mooi of lelijk bent, dat kan me niet zoveel schelen. Als je maar bij me blijft, met me meegaat en voor me uitgaat, tast en voelt of de wereld deugt, of het gevaar niet loert, dat je hier of daar bittere kou voelt of juist warmte, me vertelt of het veilig voor me is.
Je mag je eigen weg soms gaan, je eigen deurbel vinden, je verhaal tikken, desnoods je ranke vingers om die van anderen slaan, hen je doorkliefde nagel tonen, al je ringen dragen als een majesteit, als je, als je maar van en bij mij blijft.
Spiegel
Lang stond Stan voor de spiegel in de hoop zichzelf te leren kennen. Wie hij zag was niet hij, maar een ander, een onbekende met scheve stropdas en overhemd, een heldere oogopslag en een wat te malle mond. Grote vingers kamden het haar naar achterover, een gebaar wat hij kende. Even was er angst om langer te kijken, naar de ogen, dat vooral. Het was of ze iets zagen wat verder lag, ergens in het verschiet. Hij deed een stap achteruit en nog een, tot voor de kast. De man in de spiegel stond daar, keek indringend. Hij wist het, wist ervan.
Stan deed een stap naar voren, nog een, boog zich naar het spiegelglas, keek hem recht aan en zei: ‘Kom maar op jij, kom maar op’.
Pas toen, zo heel dichtbij, viel zijn oog op de kleine foto, een foto die daar al jaren was, schuin gestoken in de houten lijst. Een fotootje van zijn kleine zelf. Nog eens tuurde hij in de spiegel, zag niet de jongen, een man was het, zomaar eentje.
Zondagen
Op zondagen lag mijn vader nog in bed. Beneden lag voor ieder een rozijnenbroodje op het bord. Op zondagochtenden aten we met servetten en slopen we door het huis. Bij ieder mogelijk geluid klonk een sssttt. Daarna gingen we met mama naar de kerk. Ze hield ervan om met de fiets te gaan. Ze fietste achter ons, alle mensen die we zagen of ons voorbij gingen, groetend. Daar, in de kerk, waren we misschien nog wel het meest een familie. Binnen was er een andere wereld, een kerkwereld. We kenden de mensen, de kinderen, de gezinnen, hun huizen, vaak ook iets van hun geschiedenis en familie. Het mysterie van de me mis, de terugkerende liturgische teksten, het bracht ons, mij in elk geval, troost. Het gaf me houvast, structuur, zoiets.
Hoe de mensen op zondag waren verschilde van door de week. Ze waren rustiger, kwamen me zachter en vriendelijker voor als ze knikgroetend en in hun zondagse goed, de banken inschoven naar hun veelal vaste plaats. Pastoor Daniels liep in een gebreide trui, hij had een groene en een bruine, met net boven de kraag zijn priesterboord. Om zijn hals, iets boven zijn omvangrijke buik, bungelde aan een smalle riem een kruisbeeld. Hoewel hij zich voorzichtig schuifelend voortbewoog, merkte iedereen hem op. Hij was een vriendelijke goedlachse man met bolle ogen. Zacht fluisterend maakte hij een praatje met enkelen.
Ik mocht hem graag. Het leek me dat hij een lieve vader of opa had kunnen zijn en ik vroeg me af of hij vroeger verliefd was geweest en op wie, wie de truien voor hem had gebreid. Ik verdacht een van de oudere dames ervan.
Als je weduwe was, en je miste liefde, dan was de aandacht die pastoor Daniels, vooral aan de dames gaf, een mooi alternatief en had je voldoende argumenten om een warme trui voor hem te breien, de trui die je man geweigerd had te willen dragen.
Boekenkast
Hij is oud, een jaar of negentig meen ik. Een kast met boeken siert zijn kamerwand. Ik kijk naar hem en naar zijn boeken. Ze hebben iets van elkaar zonder dat ik precies kan zeggen wat. Het moeten haast zijn ogen zijn die glans krijgen als ze even langs de kleurige ruggen glijden.
De personages, verhalen en alle woorden, ze zijn verdwenen in een verre mistigheid, maar niet de boeken zelf, ze staan hier zij aan zij als stille getuigen. We kennen elkaar pas een paar maanden, eigenlijk weet ik niet of hij mij herkent, hij doet in ieder geval alsof. Hier zit hij, steevast in zijn bruine pak in een comfortabele stoel met op het hoge rond tafeltje ernaast een opengeslagen boek. Het is op bladzijde tweeënvijftig open blijven liggen, twee- en drieënvijftig welteverstaan. Ze zijn wat morsig en geel. Zijn bril met koker, een agenda en vulpen liggen erboven, keurig naast elkaar. Al heb ik hem nooit zien lezen, ik volg zijn blik en lees de titels: Armoede, De stille wereld, In de eerste cirkel, Dwaasheid, Stille kracht, De avonden. Het is door de titels dat een vraag in mij opkomt: ‘Leer ik zijn leven kennen als ik alle titels aaneen zou schrijven tot een verhaal?’ Het zou een lange wonderlijke reeks worden, een duistere lyriek. Misschien zal ik titels moeten herschikken of combineren. Nee, het moet oprecht zijn, in zijn volgorde: linksboven beginnen, boek voor boek, plank voor plank. Of misschien, dat zou ook kunnen, de namen van de schrijvers er tussen.
Ik zou het hem, bij voorkeur op een zachte zomeravond, willen voorlezen. Hier, naast hem zittend en met de deuren open naar de tuin. Bij een goed glas wijn zou ik het lezen, traag en zacht als was het hemelse poëzie.
Mevrouw Timmerman
Het is nacht, de klok in de gang vertelt dat het 4 over twee is. Ze loopt daar zomaar in haar ponnetje in de schaarse verlichte gang. Het lijkt of ze naar iets op weg is, haast heeft.
Zuster Sara kan haar amper inhalen. ‘Mevrouw Timmerman, mevrouw Timmerman’, waar gaat u naar toe?
Ze lijkt het niet te horen, haast zich voort. ‘Maria, Maria, wacht even’, roept Sara. Maar Maria moet voort moet verder. Bethlehem is ver, erg ver en wie weet komen ze te laat. En wat dan…?
Als ze naast elkaar lopen lijkt Maria zich bewust van de rare gang van zaken. Ze kijkt schuldbewust van haar blote voeten naar haar gebloemde pon en dan naar zuster Sara.
Verbouwereerd nemen ze beiden plaats op het bankje in de gang. Maria kijkt onzeker om zich heen.
De jonge zuster lacht de ongemakkelijkheid weg.
’Het is niet grappig hoor’, zegt Maria verontwaardigd. ’Ik dacht er weer aan, ik droomde weer dat Jozef er was. We moesten, in opdracht van de keizer, op weg voor die inschrijving. Door die reis, ik was toen hoog zwanger, ben ik mijn hele leven onrustig en gejaagd gebleven. Altijd! Als ik droom, zuster, dan droom ik telkens van die reis’.
Zuster Sara knikt.
Mevrouw Timmerman vertelt van de kou, van de vermoeidheid, van de bevalling die ze voelde naderen, van de lieve zorgzaamheid van haar man Jozef en van de trouwe ezel die hij van z’n laatste centen voor haar had gekocht.
‘Alles, werkelijk alles was vol, ieder bed, iedere herberg.’, vervolgt Maria. ‘Het had maar een haartje gescheeld of ik was bevallen onder de sterrenhemel. Gelukkig troffen we een aardige herbergier. Hij had een stal dichtbij. Daar waren een paar dieren, een os en een ezel, als ik me goed herinner. In ieder geval was het er lekker warm’.
‘Bent u bevallen in een stal?’, de zuster kijkt haar met grote ogen aan. Het is niet helemaal goed met mevrouw Timmerman, denkt ze.
‘Ach, die bevalling was het punt niet’, zegt Maria. ‘Dat ging redelijk gemakkelijk. Jozef was meer dan een volleerde vroedman’. Ze lacht ontroerd.
‘We legden ons zoontje in een voerbak die stond daar. Ik had natuurlijk wel wat warme doeken bij me, dat snap je’. De ogen van de zuster staan nu op scherp. Wat een verhaal hier op de gang in het schemer van de nacht.‘Weet je waar ik, al die jaren nog vaak aan denken moet?’
Zuster Sara weet het niet. ‘
‘Aan die herders’.
‘Herders?’
‘Ja, herders. Ze stonden daar opeens, midden in de nacht. De dag erna kwamen nog drie belangrijke mannen met luxe geschenken’.
‘Maar Maria, wat fantaseer je toch. Dat kan toch allemaal niet? Kwamen die allemaal in die stal?’
‘Ja, echt waar. Weet je, die herders, ze kwamen zo van het veld. Ruwe bonken waren het. Hun schapen hadden ze achtergelaten. Ze vielen op de knieën voor het wiegje, nou ja, voor de voerbak’.
Zuster Sara slikt een keer en knikt.
‘Die mannen vertelden dat ze een ster zagen, een bijzondere ster. Opeens hadden ze ook een enorm licht in het donker gezien en waren er stemmen geweest, stemmen als van engelen! Ja, zo vertelden ze het. Je kunt het niet begrijpen, maar toen die mannen daar zo op de knieën vielen, ik heb het later vaak tegen Jozef gezegd, toen voelde ik dat dit, dat dat daar in die stal met die mannen, iets van de hemel was’.
‘Iets van God, bedoelt u?’, stamelt Sara.
Maria knikt, kijkt in een verte en gaat verder: ‘Ik zei het tegen Jozef: Dit komt van de hemel! Dit is een kind van God! En het was zo. Geloof me of niet, het was zo! Mijn oudste, hij is er niet meer, maar hij was van God!’ Maria buigt zich voorover, legt haar hand op de onderarm van de zuster en vervolgt ernstig: ‘Vertel dit morgen maar niet tegen je collega’s. Beloof je met dat?’
Sara glimlacht en knikt. ‘Nee, mevrouw Timmerman, ik zal het niet vertellen. Het is ons geheim’.
Maria knijpt nadrukkelijker. ‘Je mag het ze niet vertellen. Weet je’, ze schuift nog dichterbij, ‘ze geloven je niet. Echt niet. Er zijn maar een paar mensen die het kunnen geloven. Jozef zei dat ik er maar over op moest houden, maar dat kan ik niet. In deze tijd van het jaar, ’s nachts als ik naar de sterren kijk, dan komt het weer. Dan ben ik weer op weg naar Bethlehem’.
‘Kom mevrouw Timmerman, ik breng u naar bed. Is dat goed?
‘Ja, dat is goed. Niet vertellen morgen, he? De mensen begrijpen het niet, maar ze moesten eens weten, zuster, ze moesten eens weten’.
‘Ja, mevrouw Timmerman, ze moesten eens weten. Ik laat de deur op een kier. Goed? Welterusten’.
‘Welterusten’.
Cornelis
Voor mijn deur stond hij , de jongere versie van de Cornelis die ik kende van foto’s die ik minutieus had bestudeerd. In een seconde nam ik hem op: warrige krullen, grote ogen, bruin manchester pak, stevige bruine schoenen. Misschien was hij een paar jaar ouder dan ik. Zijn muisgrijze Simca zag ik achter hem langs de weg staan.
‘Waarvoor moest ik komen? Wat wil je van me weten?’, vroeg hij aarzelend. Zijn donkere stem klonk evengoed ernstig.
‘Zoals ik u al aan de telefoon heb uitgelegd, zou ik graag iets van uw familiegeschiedenis weten. Ik vermoed namelijk dat er verwantschap is tussen die van u en de onze’.
‘Moet dat hier?’, vroeg hij, keek om zich heen en daarna de gang in.
‘Ik heb zojuist thee voor ons gemaakt en binnen kunnen we even rustig zitten aan de tafel’.
Hij leek enigszins gerustgesteld, maar ik zag dat hij twijfelde om naar binnen te gaan.
‘Wees maar niet bang. Ik ben alleen thuis’. Dit zou hem op z’n gemak stellen meende ik.
Nadat hij nadrukkelijk zijn voeten had geveegd liep achter me aan de gang in. Ik stelde me voor hoe hij alles in zich opnam. Geen detail zou hem ontgaan. In de keuken nodigde ik hem uit om plaats te nemen op de stoel aan de overzijde van de tafel. Ik had wel eens gehoord dat mensen het in een vreemde omgeving prettig vinden om zicht te hebben op de deur. Gezien zijn aarzeling, was hij daar wellicht het meest op zijn gemak.
Ik vulde twee mokken met thee, zette de theepot terug onder de muts, reikte hem de zijne aan, schoof de suikerpot zijn kant op en nam met mijn thee plaats tegenover hem. Pas aan tafel viel me het litteken boven zijn rechter oog op. Het liep schuin over zijn slaap. Het stak licht af op zijn verweerde huid. Zijn grote groene ogen keken me strak aan. Om zijn blik te ontwijken keek ik hoe hij met zijn grote handen zijn ellebogen omvatte en werd me bewust van mijn eigen ongemak met de situatie.
Naar dit gesprek had ik uitgezien. Ik had het voorbereid en me voorgesteld hoe het zijn zou, had zelfs vragen voorbereid. Het had me goed geleken om het gesprek open in te gaan en niet met pen en papier voor hem te gaan zitten. De spanning die ik voelde opkomen had ik niet ingeschat. Niet één van mijn kloeke vragen wilde me op dat moment te binnen schieten.
Zijn eenvoud was me opgevallen, zijn brede, imposante postuur en vooral zijn ietwat strenge vragende ogen. Ze verwarden me. Doordat hij naar mijn handen keek, voelde ik hoe ik de warme mok maar rond bleef draaien. Allerminst van zijn stuk keek Cornelis mij aan. Hij leek op een vraag of opmerking van mij te wachten.
Om mijzelf wat ruimte te geven stond ik op mompelde iets over voorbereiding, onderzoek en alvast genoteerde vragen, nam m’n notitieblok uit de bureaulade en sloeg het kaft om.
‘Ha ik zie het al’, zei ik ferm. ‘Mag ik vragen waar u geboren bent?’ Ik negeerde zijn frons. ‘De familie van mijn moeders kant komt oorspronkelijk uit Zuidoost Drenthe. Voor de naoorlogse industrialisatie hebben ze er op verschillende plaatsen rond Emmen gewoond en op verschillende boerderijen gewerkt. Het was bittere armoede zoals u vast wel weet. Het lijkt of uw moeder, daar stuitte ik op, plotseling is verdwenen. Na wat speurwerk heb de reden daarvan niet kunnen achterhalen. Ik dacht dat u me, om het verhaal compleet te kunnen maken, daarover misschien meer zou kunnen vertellen’. Dat ‘ge-u’, waarom deed ik dat? We verschilden hooguit enkele jaren.
Aan de overkant van de tafel bleef het stil. Ik zag hoe hij met de toppen van zijn geel bruine rechter wijsvinger heen en weer wreef over de ribstof van zijn jasje. Een straffe roker, vermoedde ik en ook zijn eelthanden en donkere nagels bij de randen verraadden ambachtelijk werk.
Zijn stem klonk zwaar, niet boos, wel nadrukkelijk. Het verbrak de stilte die er tussen ons hing. ’Mijn moeder is dood. Ik weet niets van haar afkomst’.
‘Misschien vindt u het, net als ik, ook leuk om wat meer van uw familie te weten. De kinderen, zowel de jongens als de meisjes van onze overgrootvader, werkten mee in het veen. Ze hadden het niet breed, maar redden zich. Voor de mobilisatie hebben ze…’.
‘Mevrouw’, resoluut onderbrak hij mijn relaas, boog zijn schouders naar voren, boorde zijn blik in de mijne en vervolgde: ‘zoals ik al zei, mijn moeder is dood. Ik wil maar één ding en daarom ben ik hier. Ik wil dat u haar en mijn leven laat rusten. Begrijpt u mij? Rusten betekent rusten!’
Hij stond op en als vanzelf volgde ik zijn voorbeeld. Hij schoof de stoel onder de tafel knoopte zijn jasje dicht en ging mij voor naar de gang. Pas bij de voordeur draaide hij zich om en viste zijn autosleutel uit zijn diepe broekzak. Hem aankijken durfde ik niet, richtte me daarom op de sleutelhanger, een plastic miniatuur drankflesje waarvan ik de merknaam niet onthield.
‘Laat, mevrouw, ons leven met rust’.
De woorden echoden na in mijn hoofd. De man die een vreemde was en toch ook familie, de man wiens naam ik niet zal noemen, de man die mij met mevrouw had aangesproken, reed na een paar keer starten met zijn Simca pruttelend weg uit een verhaal waaraan ik zo hoopvol was begonnen.
Mens erger je niet
‘Is er vanavond nog iets op tv?’, vraagt ze. Vanuit zijn fauteuil bij het raam kijkt Wiecher langs zijn dagblad en haalt licht zijn schouders op. Zijn ogen zoeken de tekst, maar het beeld van Ada blijft. Hoe ze daar zat. Las ze of tuurde ze dromerig voor zich uit naar de bladzijde? Hij vraagt het zich vaker af. Vanaf hier had hij het niet kunnen waarnemen. Heeft ze zijn reactie afgewacht, of wist ze al dat hij zijn schouders op zou halen? Zo weet hij heel dikwijls wat zij zeggen zal of vragen, even daarvoor is het al door zijn gedachten gegaan. Soms zeggen ze iets tegelijkertijd en verontschuldigen zich naar elkaar. Hij stelt zich voor dat er in de loop der jaren door een ragfijn netwerkje overheveling van gedachten en gevoelens plaatsvindt. Zo weet hij dat Ada straks, na het nieuws, op zal staan. Hij bedenkt hoe ze voor ze opstaat eerst haar rechter en dan haar linkervoet in haar pantoffels zal steken. Altijd wacht ze even voor ze naar de keuken gaat om een kopje koffie voor hen beiden te maken. Al weet ze zijn antwoord, toch zal ze vragen of hij er iets bij wil. Dat ergert hem. Tegelijkertijd minacht hij zichzelf om zijn eigen kinderlijke reactie.
Hij vraagt zich af welke dag het is, het moet zaterdag zijn, immers gisteren was er markt en is Francien langs geweest. Vanavond na de koffie als Ada een borreltje voor hem en een glaasje wijn voor zichzelf heeft ingeschonken, zal ze als ieder zaterdagavond, de rode doos uit de ladekast pakken, het bord op tafel zetten, rechtsonder voor hem alvast de rode en voor zichzelf de blauwe pionnetjes klaarzetten. Als altijd zal ze vragen: ‘Zal ik beginnen?’.
Nooit spelen ze iets anders en altijd maar een keer. Ada wint meestal. ‘Zo meneertje, daar ga je’, zoiets zal ze zeggen, niet zonder leedvermaak. Ze zal venijnig tellen en met haar pionnetje nadrukkelijk op het bord tikken om de zijne er daarna met een zwiep af te gooien. Naar voorbeeld van het sacherijnige heertje op de rode doos, doet hij of zijn boosheid gespeeld is en belooft haar de volgende zaterdag te zullen revancheren. Zelf heeft hij een regel ingesteld om het spel te lengen, heel wat jaren geleden al: een witte pion die je niet voorbij mag. Eenmaal op zijn plaats, dan mag deze naar believen worden verplaatst. Nu heeft hij niet meer de moed niet om te zeggen dat hij die regel wil herroepen. Hij heeft domweg niet het lef haar te zeggen dat hij de routine en het eeuwige speelbord niet meer verdraagt.
Hij laat de krant iets zakken en kijkt naar Ada. Haar altijd pijnlijke voeten heeft ze op het kussen van de kruk gelegd. De boeken naast haar op de tafel zijn zonder twijfel de nieuwste engelse romans. Nooit leest ze iets anders dan verhalen over oude engelse aristocratische geslachten. Als ze leest, heeft ze, zoals nu, haar leesbril op het puntje van haar neus en blaast ze telkens een haarkrul weg. Hij kent haar, iedere rimpel, iedere gewoonte. Hij vraagt zich af waar haar schoonheid is gebleven. Houdt hij van haar? Hij moet het antwoord schuldig blijven.
Straks, zo weet hij, zal ze vragen: ’Wat kijk je? Heb ik iets van je aan?’ Hij zucht en slaat de pagina om. ‘Inflatie groeit ondanks oplopende rente’.
‘Zei je iets?’, vraagt ze.
‘Nee hoor. ’t Is niks’.
Dichte deur
Ze had gemorreld, geduwd, had de ronde ring naar links, naar rechts en nog eens naar links gedraaid. Ze had er een paar keer haar volle gewicht tegenaan gezet, maar de donkerrode deur had geen enkele weerstand geboden. Het bordje, wat terloops tegen de muur van de zware rode bakstenen muur gezet, leek haar uit te lachen met zijn royale tekst: ‘Welkom. Kerk open’.
Er binnen gaan, er was niet echt een noodzaak, niet eens een heilig moeten. Toch, nu ze de weg naar hier had afgelegd, het gevecht met de deur was aangegaan, daar zo stond en het verdomme ook nog begon te miezeren, leek het op een afwijzing van alzo hoge. Ze maakte zich plat, duwde haar rug tegen de deur om te kunnen schuilen in de ondiepe nis. Grappig, alleen haar voeten werden nat.
Even dacht ze dat ze het zich had verbeeld, maar nu hoorde ze toch duidelijk dat binnen het orgel werd bespeeld. De melodie was haar onbekend, maar het klonk wonderschoon. Ze voelde tranen opkomen. Het was het orgelspel, dacht ze. Het kon ook de regen zijn, de gesloten deur of misschien wel de reden van haar komst. Ze keek omhoog waar de wolken zich samenpakten tot een grijs geheel. Achter haar rug zweepten de orgelklanken tot grote hoogten. Ze had ergens gelezen dat orgels in de kerken te lijden hadden onder de sluitingen, nu mensen geen behoefte meer leken te hebben aan troost of bemoediging. Zij had het wel, maar hier stond ze buiten in een druilerige regen. ‘Welkom. Kerk open’.
Waarom zou ze naar binnen willen gaan? Hier buiten kon ze evengoed bidden. Ze vouwde haar handen die nu ook een beetje regen vingen en sloot haar ogen. Hoe deed je buiten bidden eigenlijk in ee nis met de rug tegen de deur geduwd? Ze prevelde iets over haar komst, iets waar de Almachtige hoogstwaarschijnlijk al van op de hoogte was. Het orgel speelde nu zachter, ingetogener. Opnieuw waren ze er, haar tranen. Hopelijk werden ze door de Eeuwige opgemerkt.
Tuinhandschoenen
Als je ogen wat beter gewend zijn aan het schemer dan zie je links de spullen die ze gebruikte, als altijd keurig geordend. Niet iedere dag werkte ze aan haar tuin. Zo ongeveer vanaf maart moet je rekenen. Kijk, de spinnen hebben een web geweven en alles verbonden. Ach hier, hier liggen haar handschoenen. Nooit, niet één keer zag ik haar werken zonder haar kleurige rode handschoenen. Altijd rode. Werkloos liggen ze terzijde van wat nu dode spullen zijn.
Ik zei je toch dat ze ze daar heeft neergelegd. Het weer was goed, ze wilde morgen verdergaan. Er moest nog het een en ander verpoot, gescheurd, gesnoeid. ‘Morgen’, zei ze, ‘moet het maar gebeuren. Het is juist een goede tijd.
Alleen haar handschoenen bewaren de vorm van haar handen in zich dragen?
Bellen
Het kind kijkt verwonderd naar wat zij heeft gedaan. Dunner zijn ze dan glas. Sterk en kleurig zweven haar bellen in het zomerse zonlicht. Ze wil ze pakken, maar verder gaan ze, verder en hoger. Tot ze uit elkaar spatten en er, o wonder, niets meer is. Waar zijn ze gebleven, de wonderbollen, de mooie lichte?
Opnieuw en op nieuw blaast ze bellen uit het sop. Ze ziet zichzelf weerspiegeld in die ene. Meer en meer zweven er boven haar glimlach. Ze houdt van de kleine, maar het meest van de grote met een kleintje eraan vast. Toch spatten ook die kapot. Nooit genoeg krijgt ze van de betovering. Als ze slaapt droomt ze van de bellen die haar meenemen naar het wolkenland waar alles anders is, mooier lichter en groter..
Maak haar niet wakker. Laat de dag niet komen, de dag waarop ze weet dat alles wat ze maken zal, zelfs het goede en het mooie, een einde kent, dat zelfs haar dromen en verlangens, de liefde en de vreugde, ooit uiteen spatten als haar bellen. Nu ligt ze daar, veilig warm en droomt de wereld mooi.
Voor rood
Hier sta ik en wacht volgens afspraak voor de streep. Ik laat me, ongeduldig als ik ben, leiden door het licht, tik het ritme van de seconden mee met mijn vinger op het stuur. Links naast mij staat een man met een slordig baardje, voorop in het zitje een meisje. Ze draagt een roze jasje en laarsjes in dezelfde tint. Ze kijkt me ernstig aan met haar donkere ogen. Het vroege licht valt door haar fijne zwarte krulletjes. Ik vraag me door die krulletjes af of ze zijn dochter is. Ze draait zich naar hem toe en vraagt: ’Ga jij mee naar binnen?’. Hij antwoordt niet, is in gedachten en mompelt iets onverstaanbaars.
De rode auto naast hem maakt rustige plofgeluidjes. Over haar stuur kijkt een dame in de binnenspiegel, perst haar lippen samen en veegt met haar wijsvinger iets uit haar mondhoek. Met twee vingers van haar linkerhand trommelt ze ritmisch op het stuurwiel.
Er huist haastige onrust in ieder van ons. Ik stel me voor hoe we straks arriveren. Eenmaal op de plaats van onze bestemming zullen we ons vervolgens opnieuw haasten naar het einde van de klus, de opdracht of het einde van de dag. De lucht betrekt en we hebben vanmorgen een gure wind tegen.
Waarheen we ons ook haasten, hier achter de streep, wachtend voor rood, zijn we even tot elkaar en tot stilstaan veroordeeld.. Hoopvol kijken we schuin omhoog. Nog tien, negen, acht Onze voeten zoeken vast de pedalen en voorover buigend zetten we ons in beweging. We gaan.
Reddingsboei
In al die jaren was er niet één schipbreuk, is geen mens over boord geslagen, was niemand in nood. Wel werden drie pleisters geplakt, werd een meisje en een dame onwel. Een slokje water had al soelaas geboden. Een keurige heer gleed uit op het dek. Het was een komische val met weinig kwetsuur. Jij kwam er niet aan te pas.
Drie keer al werd de pont opgeknapt en al was het een andere tint, weer blauw geverfd. De dieselmotor is vervangen net als de laadklep. Geert heeft het groen van je lijf geboend en je weer teruggehangen voor je weet maar nooit.
Voor je weet maar nooit, voor het als en dan, voor dat ene, daarvoor hang je er te hangen. In weer en wind. Bij nacht en ontij bungel je tegen de kleine kajuit. Je hangt daar prominent, bent niet te missen, met je touw, je wit en rood.
Dagelijks klonteren fietsers en voetgangers, luid lachend en met bravoure,zic om je heen. Bij hevige regen en noodweer duiken ze weg in hun jassen en cape’s. Wat verveeld zie jij het aan. Je weet immers maar nooit.
Kaarslicht
Het is winter en te vroeg al donker. Ze letten er niet op, hebben er geen weet van dat achter hen op de muren van de kleine kamer hun schaduwen hangen, grimmig, donker en groot. Verweesd staren hun ogen naar de vlam alsof een visioen te verwachten is, een beeldspraak, een boodschap van een engel.
Niets is er te zeggen. Woorden lijken te simpel en goedkoop. Soms even is een gedachteloze zucht hoorbaar, wordt een voet verplaatst, lucht tussen strak op elkaar geklemde tanden gezogen. Wie weet zijn er later woorden, is uitleg mogelijk, is een verklaring denkbaar. Nu is er enkel de stilte.
Door de warme gloed is het of een oude meester hun droef gelaat op doek heeft vastgelegd. Het zijn diepe schaduwen onder hun samengetrokken wenkbrauwen in een zacht licht dat hen samenbindt. Wat er tussen hen hangt is een niet weten en angstige onvermijdelijkheid. Vooreerst is er enkel de eigen stille taal die spreken mag.
Trofeeën
Het is donker en het ruikt er muf. We schuiven de zware gordijn opzij. Door de dof geworden ramen komt zonlicht binnen, licht dat uit een andere wereld, uit een andere tijd lijkt te komen. Er is een toog, in het midden een dansvloer en in de hoek een biljard onder een bruine hoes. Het hoge podium mist het rechter zijgordijn. Er staat een tafel met een kleedje, een stapel stoelen en bank. Langs de wanden zien we vaandels met franje, wapens, gouden letters en jaartallen. In de hoge glazen wandkast staan ze keurig in het gelid, de trofeeën, bekers en vaantjes. Als stille getuigen hebben ze de mensen zien gaan, de één na de ander. Van hun eer en trots weet niemand meer. Ze staan er schaamteloos te blinken.
Eens was alles hier muziek, zinderde het van dans en feest. We kijken elkaar aan en ik voel zijn hand al zachtjes op mijn rug. Instemmend zoekt mijn rechterhand zijn linker en leg ik die van mijn op zijn schouder. De trofeeën achter me glimlachen als ik me achterover buig. Onze voeten maken sleepgeluidjes en we draaien rond en rond. Miljoenen stofjes dansen in het zonlicht.
Stilte
N.a.v. de eerste regel van Ophoepelen, dichter: Joris Miedema, Poesie-tafel
Ik hoorde de stilte aan mijn vader knagen, knagen aan zijn ziel en zaligheid. Het was alsof de woorden van hem gingen, of ze in de tijd verdwenen, hun betekenis het krimpen was, iedere week of maand een beetje. De betweter van weleer is uiterst langzaam naar ginder afgemeerd. De overkant, al zichtbaar, lonkt zo nu en dan. Mijn vader, ach hij antwoordt niet. Denk niet dat hij horende doof is voor de lokroep van de overzij of dat het hem ontging. Wat hem ontbrak zijn woorden voor zijn antwoord of hij zal groet en of nog even niet.
Traag gaat zijn leven, zachtjesaan, letterlijk voet voor voet. Je moet nu niet zo hard meer roepen, niet zoveel nog vragen, aandringen of maar blijven praten. De stilte zegt genoeg.
Morgen misschien of overmorgen wil ik vertellen, zeggen dat ik de stilte zie, dat ik het kan verdragen tot ik zelfs dat niet meer zie of hoor hoor.
Luna
Het was een krassend soort geluid wat me wakker deed schrikken. Ik hield m’n adem in en hoorde mijn hart tekeer gaan. Om wat rechter op te kunnen zitten schoof ik het kussen omhoog. Het was stil en donker in de kamer. Zachtgeel licht viel door het grillige patroon van de gordijnen. Ze bewogen even.
Bijna twee uur, zag ik op mijn scherm, maar toch schrok ik even later van de klokken van de Lucaskerk. Weer werd het stil.
Het geluid was niet van ver, van de overloop of de vliering misschien. ’Godverdomme, ga dan kijken sukkel’, dacht ik en die gedachte gaf me de moed om te gaan zitten en mijn trui van de stoel te plukken. Juist toen ik de kol over mijn hoofd trok, was het er weer, kort, maar heel duidelijk. Ja, krassend, lange halen, iets met hout. Het moest wel een dier zijn. Ik trok m’n trui naar beneden, rolde de kol en hield mijn adem vast. Het was stiller dan ooit. Licht maken leek op de een of andere manier geen optie.
De koelte van de nacht voelde ik rond mijn benen. Bij iedere stap kleefden m’n voeten aan het zeil. Bij de deur hield ik opnieuw m’n adem in, duwde de klink naar beneden en opende de deur. Als bevroren stond ik daar, de klink als enig houvast. Er kraste opnieuw iets, gretig en dichtbij. Na weer een paar stappen, stond ik stil en luisterde. Niets! Het moest wel bij de verandadeur zijn. Voorzichtig draaide ik de sleutel om en duwde met mijn arm de deur naar buiten. Een schreeuw ontkwam me toen langs mijn benen een zachte, vochtige vacht naar binnen schoot.
In een beweging vond mijn hand de lichtknop en staarde ik in de groene ogen van een magere, schichtige Luna. ‘Godverdomme Luna. Waar was je al die tijd? Ik dacht dat je dood was.’
Zwart jasje
Ik weet niet waarom je me hier hebt achtergelaten, achteloos in deze hoek en me vervolgens bent vergeten. Eens, weet je nog, lag ik aan de rol in de bak met andere zwarte rollen. Jij, jij zag me, hebt me gevonden en uitgerold op tafel. Ik zag dat je van me hield, altijd van me houden zou, toen je hand mijn lange zwarte haren plat streek. Met hoeveel liefde en zorg heb jij me tot leven weten te wekken, knip voor knip, steek voor steek. Ik werd een jasje, jouw unieke jasje. Je droeg me en ik maakte je trots en fier. Ik paste bij jou, jij bij mij. Ik gaf je volume, warmte, zachtheid en iets stoers op die suède rok.
Deze winter heb je me niet meer gepakt, heb je me geen enkele aandacht gegund. Kan een jasje als ik uit de mode raken, uit je gedachten, uit je hart? Kan ik je niet meer sieren met mijn pluizige wol, je niet meer bekoren met mijn unieke uitstraling?
Je gooit me niet weg. Dat kun je niet, ik weet het, voel het. Draag me asjeblieft nog een keertje, als het winter is, als het koud is of als je verdrietig bent.