Woorden

Woorden hadden hen verbonden. Ze spraken af om elkaar elke dag een woord van de dag te geven, een mooie. Op gekleurde briefjes staken ze die tijdens de pauzes in elkaars tas,’verlangen, ochtendnevelen, louter, soezerij, desalniettemin. Die woorden werden kleine versjes of gedichtjes ‘Tijd verdrijft, neemt je mee, gruwelijk gedwee’, de eerste die hij voor haar schreef tijdens een saaie geschiedenisles.
Liefde voor taal was het, lezen, boeken, titels, luisteren en daarover eindeloos doorpraten. ‘Wat niet in woorden te zeggen is bestaat niet’, zei ze en hij beaamde. Misschien wisten ze beiden beter, maar de echte wereld was groot en mijlen ver.
Een sport hadden ze er van gemaakt, hadden bij koffie, bier en teveel wijn, elkaar bestreden. Gangbare opinies hadden ze met gemak weerlegd. Al was zij in alles zijn meerdere hij maakte er zijn werk van, ging doceren en genoot aanzien en erkenning. Zij zorgde voor hun huis en de dieren, hield van ze als waren het haar kinderen. Ze kookte en zong.Televisie hadden ze niet, vrienden evenmin. In de kleine dorpsbibliotheek. Het was om haar ziekte.  die voor beiden meer was dan een een groot en onoverkomelijk mysterie. Erover spreken ging niet.
Omdat ze naast haar eigen machteloze pijn de zijne niet kon verdragen, ze hem er evenmin buiten kon laten, probeerde ze er wanhopig precieze woorden te geven als de episodes van depressie haar leven weer overnamen. Ze schreef ze op in het  Engelandschrift, een schrift met leeslint en zachtstoffen kaft met een te lieflijk bloemmotief. Bij haar eigen woorden vond ze steun, misschien zelfs troost. Ze las ze weer en weer. Het hielp haar. Hem niet. Hij opende het schrift, las haar woorden niet, keek enkel naar het haperende gehavende schrijven, zag de de doorhalingen, de vette woorden, de onderstreepte en de woorden die ze in blokletters had gezet. Hij wist dat hij dit van z’n lang zal ze leven niet en nooit zou kunnen begrijpen.
Hij zag haar aan als ze onbereikbaar was, zag haar zoekend gaan, haar zwijgen, de kou en de onrust. Haar heen en weer schietende ogen braken zijn hart. Hij deinsde terug als ze van een klein geluid ze opschrok, vloekte, balde zijn vuisten, ging dan weer naast haar zitten als ze uit het raam tuurde in een onduidelijke verte.
’s Nacht hoorde hij dat ze opstond en wist dat ze op de bank zou zitten tot de kou haar terug deed gaan. Eén keer was ze naar buiten gegaan. Hij had gezocht, zag in het donker haar gestalte naderen, hoorde haar huilen pas toen ze dichterbij was. Met een wereld van gedachten in zijn hoofd, maar zonder een woord, had hij haar in bed gelegd, een kruik gemaakt.
Hij vroeg of het ging. Ze schudde ze haar hoofd. De boterham die hij voor haar smeerde vond hij terug in de kliko. Mechanisch schuifelde ze door het stille huis en las alleen in haar Engelandschrift.
Als ze na tijden terugkeerde, er langzaam licht in haar ogen kwam, haar bewegen vlugger en energieker, haar stem zachter, dan wist hij dat ze hem zou zeggen dat de woorden in het schrift ontoereikend waren, schandelijk tekort schoten, hij die warboel maar niet moest lezen.

Volgende
Volgende

Stadsbus