Schaduw

Donderdagmiddag kwart voor vier. Regen valt loodrecht uit de hemel, hangt als een gordijn voor het raam van de huiskamer. De deur naar de verlichte keuken staat open. Ik kijk op van mijn huiswerk, zie mijn moeder staan, ze schilt de aardappelen. Een grote en vaag bewegende schaduw achter haar.
Ze is niet groot, mijn moeder, klein en gedrongen zelfs, het mouwloos schort spant om haar heupen. Haar haren draagt ze in een brede wrong laag op het achterhoofd, erboven als altijd de brede bruine speld met drie glinsterende steentjes.
Ze weet het en schilt. Ze weet het en neuriet. Ze weet het en blaast een haarlok opzij. Ze weet het en gooit de blanke aardappel met een boogje in een pan met water in de gootsteenbak. Het water spat op. Ze droogt haar handen langs haar schort, komt de kamer binnen en draait de rode wijzer langs de kanalen van zijn naar haar radiozender. Ze weet dat ik het registreer, voelt zich allerminst betrapt. Ik zie het aan de manier waarop ze kracht zet op het mes als ze de andijvie snijdt. Er vallen dunne groene sliertjes op de grond, op en naast haar pantoffels. De pantoffels met zachte binnenvoering, de bontrand om haar nylonkousen wreef. Ze merkt de gevallen reepjes niet op, neuriet mee met een vrolijk klinkend liedje, alleen het refrein zingt ze woordelijk mee, ‘carried away by amoonlight shadow’.
Ik zie het en weet dat zij het weet, meen zelfs dat ik het van hier af aan haar houding aflees. Misschien aan hoe ze haar schouders recht, haar vingers om de andijvie klemt. Ze snijdt met kracht tot ze de het laatste stuk, daar waar de bladen samen komen, bij schillen in het aardappelmandje gooit.

‘Ze weet het’, fluister ik en kijk hoe ze de andijvie wast, het vergiet schudt, zich omdraait, haar ogen opslaat naar de klok, dan haar handen droogt.
Hoe kan het dat ik weet dat ze straks de rode wijzer terugdraait op zijn zender, de klassieke en doet of ze van zijn muziek houdt. Straks neuriet ze mee met Eine kleine Nachtmusik of met Bachs Allegro en lacht ze om zijn grapjes.
Ik weet dat ze het weet, maar houdt  zich voor dat ze het niet goed zag, verkeerd inschatte. Het mag niet, wil er daarom geen acht op slaan en vertelt zichzelf een geruststellend verhaal. Ze komt er mee weg voor zichzelf, voor hem, voor mij. Het weten is voor haar te ingewikkeld. Ze moet zich staande te houden, voor zichzelf een werkelijkheid scheppen en neemt ze aan er binnen past. Waarheid is te veel gevraagd.
Mijn moeder weet het, heeft het briefgeld gezien dat ik moedwillig liet slingeren, sommeerde me alleen er zuiniger mee om te springen. De cadeau’s, het horloge, de luxe bouwdoos, het snoepgoed, alles zag ze en liet het. ‘Ben je er niet blij mee?’, zelfde ritme, zelfde toon

Volgende
Volgende

Woorden