Stadsbus

Hoe het ook zij, dit kon niet  en kon hoe dan ook niet waar zijn. Een flits meer was het niet. Duur, een enkele minuut, misschien niet eens. Evengoed had het een eeuwigheid geduurd, leek het. Als Peter het terug haalt is het beeld nog haarscherp: de lage haarinplant, twee evenwijdige horizontale rimpels daar onder, de brede kaaklijn. In de ogen was een onzeker zoeken geweest.
Schrik of was het een siddering van sensatie geweest die hem was overkomen. Ze is opnieuw voelbaar.
Het waren vooral zijn ogen geweest achter de langzaam voorbijglijdende ruit. Ze hadden de zijne gezocht, hadden de zijne naar zich toe getrokken. Onontkoombaar sterk hadden hun blikken zich daarna als magneten aaneen geklit. Ze hadden dat ene moment gerekt, hadden niet weg kunnen kijken, wilden vastgehouden tot het laatst. Meegetrokken werd hij, ging als vanzelf lopen drie, misschien meer stappen mee onder zijn raam, had met zijn vingers de bus aangeraakt, twee lange strepen gemaakt. Vochtig vettig vuil op zijn ring- en middenvinger.
Achter het raam zag hij van de hand de vingers tegen het glas gedrukt, een waas van zijn adem daar omheen. Toen was het voorbij. De blauwe bus reed weg richting zuid, zwenkte knipperend naar de rechter baan, verdween achter de bomenrij en het roodstenen kantoorgebouw.

Lijn zeven stopt. Remmen zuchten, mensen rennen aan hem voorbij, stappen in, schelle piepjes van de laser, een ronkende motor, dieseldamp. Hij staart naar de treden, naar deuren die uitnodigend open blijven, zich dan sissend sluiten. Verkeer raast voorbij, koude wind slaat de panden van zijn jas open, blaast broekspijpen tegen zijn benen. Hij staat daar op het verhoogde platform in een suizing van stilte, eenzamer en kouder dan ooit.
‘Papa?’, zijn lippen vormen het niet te zeggen woord.

Volgende
Volgende

Zaterdagmorgen