Zaterdagmorgen

De donkere auto met getinte glazen en glimmende bumpers die die zaterdagochtend langzaam door de straat rijdt kan niemand ontgaan, de bestuurder met zijn zorgvuldig naar achteren gekamde haarlok, donkere hoornen bril en filtersigaret evenmin. Dat hij dan met dezelfde snelheid achterwaarts rijdt en voor hun huis halt houdt, doet de moeder van Herman opzien van haar kruiswoord, de vader van zijn Telegraaf en zus Tine van haar huiswerk. Zelf ziet Herman van boven door het smalle geopende douchevenster de rijzige gestalte met glimmende kuif uitstappen. Gevolgd door een wolk sigarettenrook. Voor hij het tuinhek opent gooit de man zijn half opgebrande sigaret op de tegel en verpulvert die met een draaiende beweging van zijn gelakte schoen met gesp. Deze man moet wel artiest zijn, een kermisartiest of op z’n minst een croupier.
Met het geopende hek nog in zijn hand monstert hij de voorgevel. Te laat. Niet snel genoeg heeft Herman een stap naar achteren kunnen doen. Zonder preciest te weten waarom overvalt hem een gevoel van het schaamte.
Zijn vader beneden: ’Ken jij die man Marry? Hij zoekt iets’.
Zijn moeder: ‘Nee, natuurlijk niet, geen idee’.
Verbeeldt hij het zich? Hoort hij die duidelijke trilling in de stem van zijn moeder? De trilling is er als ze spreekt met mevrouw Faber van school of met meneer pastoor.
Het schorre harde geluid van de bel lijkt het huis te scheuren. Niemand. Na de tweede keer komt er beweging.
Een ruk met zijn beide handen en zijn vader opent de altijd klemende voordeur.
Zijn vader: ‘Goedemorgen meneer. Wat brengt u hier?’
De vreemde kuchte wat slijm weg. ‘Het spijt me dat ik u stoor, maar ik zou graag Marry Hofmeijer spreken, als het u belieft graag alleen’.
Zijn vader weer: ‘Dat zal echt niet gaan meneer’.
Dat is heel jammer. Mag u vragen waarom?’
‘Datzelfde vraag ik aan u. U rijdt voor om mijn vrouw te spreken? Waarom?’
Zijn vader, niet van plan de man binnen te nodigen, leunt schuin tegen de deurpost. Achter hem verschijnt nu ook zijn moeder. Ze slaat een sjaal om haar schouders. ‘Arend, ga maar even. Ik kom zo’. Ze duwt zijn vader zacht maar resoluut opzij. Hij doet een stap naar achteren. Eenmaal op de stoep glimlacht ze naar hem en sluit de deur achter zich.
Verbouwereerd staat zijn vader daar, doet onhandig een stap naar achteren en weer terug. ‘Die vent komt godverdomme voor je moeder’, zegt hij meer tegen zichzelf dan Tine in de opening van de kamerdeur.
Tot boven dringen de stemmen van zijn moeder en de man door. Hij kijkt neer op de haarscheiding en de blonde kleine krullen van zijn moeder naast naast de donkere glimmende kuif.
Nog nooit heeft hij zijn moeder zien roken en toch, de man geeft zijn moeder vuur, steekt daarna de zijne aan. De man vertelt lang. Zijn moeder giechelt meisjesachtig. De man gaat verder op dezelfde toon. Weer gegiechel. Ze zwijgen.
De man weer met een lang verhaal.
Zijn moeder antwoordt zacht en rustig.
Hij weer kort.
Zij nu langer, stilte, weer langer.
Kort, kort. Langer, kort, stilte, kort.
Zijn moeder houdt met haar rechter hand de sjaal bijeen en buigt zich naar de man, fluistert iets over zijn schouder en lacht, schiet met haar duim de rest van haar brandende sigaret in het rozenperk.
Kort, lach, kort.
Dan keert ze zich resoluut om, steekt de sleutel in de deur en duwt hem met aar schouder open. Zonder om te zien sluit ze die achter zich.
Herman hoort hoe ze neuriet, de sjaal vouwt en in de gangkast legt. De kamerdeur sluit.
Stilte. Lang. Lang.
Beneden staart de man naar de dichte voordeur, dan naar boven, gooit zijn sigaret in de richting van de hare, loopt met korte trage passen het tuinpad af en sluit zorgvuldig het tuinhek af. Herman ziet dat de auto beweegt als hij achter het stuur plaatsneemt. De glimmende bolide zet zich zacht ploffend in beweging. De man kijkt niet om.

Volgende
Volgende

Spullen