Spullen
‘Er zijn bedrijven die dit werk doen’, zegt de jonge vrouw die zich heeft voorgesteld als Marleen Huisman. Om zich een weg te banen door de veelheid aan spullen duwt ze met de zijkant van haar gehakte laarsje een een rafelige mand met pluizige deken, een verzameling speeltjes en een tas met kleding en wat losse autobladen opzij.
Zelf heeft hij het gevoel te duizelen in de kamer met hoog opgetast dozen, losgeweekt behang, gestapelde vogelkooien en kattenbakken en een aanrecht vol kommen, borden en conservenblikken en bestek. Een zwerm zwarte vliegen hebben zich verzameld op een korsterige zoete rest. De grijze wandtegels zijn bruin aangekoekt. Met een ijzeren regelmaat valt een druppel kraanwater in de bovenste van een stapel pannen in de gootsteen.
De vrouw drukt een papieren zakdoekje voor haar neus en duwt met de muis van haar andere hand een bovenraam open.
Aan deze keukentafel heeft hij hem daags na zijn diplomering achtergelaten met zijn gram, vloeken, verwijtend en een kanonnade aan scheldwoorden.
Hoewel hij sindsdien meesterlijk behendig onderwerpen over vaders met een snelle grap heeft weten te omzeilen, valt hem er nu even geen te binnen.
Van achter het aangeslagen glas kijkt, vanaf de met klimop overwoekerde handkar, een trotse rode kater hem recht aan.
‘Er zijn bedrijven die dit werk doen’, herhaalt hij haar woorden.