Waken
Achter de berg van kussens die ze om hem heen hebben geschikt is het gezicht van zijn vader nog amper zichtbaar. Wat Daan nog van hem waar kan nemen vanuit zijn stoel is een toefje grijs haar, een stukje van zijn voorhoofd en de punt van zijn neus. Het is niet echt ademhalen wat zijn vader nu doet. Het is een soort zacht ritmisch reutelen. Ook zijn doodgaan - sterven, als dat een beter woord is voor wat er gaande is - lijkt hij onder controle te hebben. Een bescheiden, ordentelijk en geleidelijk heengaan is het. Zo heeft hij het bedacht, gewild, geregisseerd misschien. Zijn zo vertrouwde rechterhand oogt niet meer als die van de vader, lijkt wasachtig, de aderen meer aan de oppervlakte. Het is de hand van een vreemdeling geworden. Even huivert Daan als hij de slappe vingers in de zijne neemt en de trouwring van zijn vinger voorzichtig voorbij de knokkels schuift. ‘Corry, vijf april 1972’, zegt hij zacht, staat op en legt het in de bovenste la in het open doosje waar ook die van zijn moeder bij een paar van haar sierraden ligt. Vader had na haar dood niet twee ringen willen dragen. ‘Mensen met een dubbele ring laten zich op hun positie voorstaan. ‘Een zielige hunkering naar aandacht’, zei hij er eens over. Het klonk, zoals alles wat hij beweerde, stellig, heel stellig. De levenslange schoolmeester. Tegenspreken kon wel, hij hoopte er heimelijk op, lokte het zelfs uit, maar wilde je een lange discussie met evenveel stelligheid vermijden en dat wilde je, dan deed je er beter aan het er bij te laten.
Daan heeft niet zoals Aafke bij zijn vader in de klas gezeten. Of vader hier de hand in heeft gehad dat weet hij niet. Hoe dan ook, het is hen beiden dan maar mooi bespaard gebleven. Hoe vaak is die arme Aaf niet verongelijkt thuisgekomen, heeft ze zich niet bij bij hem of bij moeder beklaagd? Dan weer was ze overgeslagen, had ze haar opstel niet mogen voorlezen of was het cijfer voor haar spreekbeurt onredelijk laag.
Zijn vader is nooit hoofdmeester geworden terwijl het toch zeker zijn ambitie was. Hij heeft voor zover Daan het zich herinnert als vaste inval meester Hoogstraten maar twee keer vervangen.
Nooit, ook niet bij Aaf, heeft hij de sollicitatiebrief ter sprake gebracht die hij voorzien van een recente datum in zijn bureaula had aangetroffen. Een week na de de eerste invalperiode of misschien een paar weken erna, had hij ‘m niet meer gevonden. Je kon er gif op innemen dat moeder hem dat uit het hoofd had weten te praten. Ze hield van het dorp. Door haar werk, ze was verloskundige, kende ze veel mensen.
In één van de invalperiodes van zijn vader was de brand geweest, een brand die ontstaan was in de jongenskleedkamer, achter de gymzaal. Het alarm was die zomerochtend afgegaan onder rekenen. Verbazingwekkende ordelijk hadden meesters en juffen de kinderen naar buiten geloodst en werden ze geacht op het plein achter de gele lijn te blijven. Met bange gezichten zochten de kleinsten hun grotere broer of zus. Hij herinnert zich hoe hij toen Aaf had gemist. Braaf en bedremmeld stonden alle kinderen daar en al was niemand van plan de lijn te overtreden, stonden de juffen en meesters opgesteld vooraan als stramme soldaten en bewaakten de grens.
Bleek en strakgespannen keken we toe hoe een rode brandweerauto met blauwzwaailicht en sirene het plein opdraaide. Als een zwerm weken ze achteruit. Hier en daar zag hij kinderen van groep acht, ze droegen gymkleren en waren meer nog ontdaan en gespannen dan de rest.
Zelf herinnert hij het zich niet zo, maar voor de meeste grote jongens was wat zich aan hun ogen voltrok een één groot avontuur. Een donkere zware rook kwam uit een van de ramen van de kleedkamer vergezeld van de geur van smeulend rubber.
Alleen vader was niet naar buiten gekomen. Daan had hem niet gezocht, laat staan gemist. Hij had het pas opgemerkt toen Freek van der Veer hem van achteren een por in de rug had gegeven. Freek was langer, boog zich van achter over zijn schouder en zei: ‘Je vader’.
‘Hoezo?’, had hij nog gevraagd.
‘Je vader is er niet’, hoort hij de schrapende stem van Freek zeggen.
Hij schaamde zich, had niet op durven kijken. Het bloed was naar zijn hoofd gestegen en zijn hart was als een razende tekeer gegaan. Tussen de anderen door had hij zich vliegensvlug naar voren weten te dringen. Eenmaal naast meester Brandsma zag nog hij hoe twee brandweermannen platte slangen behendig uitrolden, een ander draaide verderop met een soort stuur een putdeksel open.
‘Mijn vader is er niet’, zei hij. De tweede en derde keer had hij boven het lawaai van de auto uit moeten schreeuwen. Pas toen had meester hem aangekeken.
Nadat hij en juf Gringer een paar woorden wisselden beval zij: ‘Blijf hier bij meester wachten’ en rende naar de voorste brandweerman. Aan de ernst op haar gezicht en de bewegingen van haar mond zag hij dat ze hem vertelde van vader. De man knikte, keerde zich naar de rookwolk en liep toen zonder iets van haast te maken naar de zijkant van de school, in richting de rook. De ander ging onverstoorbaar door met koppelen van slangen.
Minuten leken uren.
Eindelijk was vader naar buiten gekomen. Hoestend, met zijn zakdoek voor z’n mond, aan de arm van de brandweerman en leunend tegen diens schouder. De man zette vader op een van de stenen banken aan de rand van het plein. Daan herinnert zich dat hij naar vader was gerend, niet verder had gedurfd, niet dichterbij durfde komen. Juf Gringer had de zorg voor vader van de brandweerman overgenomen, zat naast hem om hen te ondersteunen. Daan had ze niet opgemerkt. Haar arm had ze om hem heen geslagen. Zijn altijd zorgvuldig naar achteren gekamde lok was naar voren gevallen. Ze veegde hem van zijn voorhoofd. Zo, met datzelfde gebaar, deed moeder dat bij hem als hij gevallen was of van voetbal kwam.
Toen, eindelijk, had vader zijn ogen opgeslagen. Hij glimlachte naar juf Gringer en zag toen Daan en stak zijn hand naar hem uit. Pas toen had hij dichterbij durven komen en was naast hem gaan zitten, strak tegen hem aan. Juf had haar hand teruggetrokken, precies zoals hij het bedoeld had. De ogen van alle kinderen waren op hen gericht. Daan weet nog dat hij op dat moment zeker wist dat de kinderen dit thuis zouden vertellen aan hun ouders.
Vader knipoogde, zei, tussendoor hoestend, dat het heus goed kwam, tenminste dat begreep hij. Vuil slijm hoestte hij in zijn zakdoek. Stemgeluid was niet uit zijn mond gekomen.
Daan herinnert zich alleen nog juf Gringers gele broek en dat ze de maanden daarna, eigenlijk tot ze van school was gegaan, overdreven aardig tegen hem was. Echt aardig had hij haar nooit gevonden.
De brandweermannen waren uiteindelijk met emmers water de smeulende gymtoestellen gaan blussen, rolden even later de slangen op, laadden alles weer in en reden van het plein nagestaard door ruim honderd kinderen. Meester de Groot, blies op zijn fluitje en sommeerde iedereen naar de eigen klas te gaan. Van die dag herinnert hij zich verder niets, niet hoe het op school verder ging en niet wat er thuis over werd gezegd. Vader had niet gesproken over wat er binnen was gebeurd. De knipoog en de uitgestoken hand van zijn vader was zijn meest dierbare herinnering aan de dag van de brand. Het was iets om aan terug te denken en hij weet dat het hem nog lang licht en blij had gemaakt. Zelfs nu voelt hij het weer. Van Aaf wist hij dat de tweeling van Donkers de brand had aangestoken, dat de politie bij hen thuis was gezien. Vader had er nooit iets over losgelaten, dat kon je gerust aan hem overlaten. Zelf had hij er, het had te maken met de intimiteit tussen juf Gringer en vader, niet naar durven vragen. De gymzaal was schoongemaakt en hersteld. Ze hadden een paar weken of maanden buiten moeten gymen.
Daan staat op, zet het slaapkamerraam wijd open en ademt de zware lucht van voorjaarsaarde diep in, het eerste teken dat de winter is geweken. Hij zet het venster op een kier en neemt de trouwfoto van zijn ouders van de halfhoge ladekast. Met de mouw van zijn trui veegt hij het stof eraf. Wat stijfjes staan ze daar. Lachebekjes zijn ze nooit geweest. Hij grinnikt om de gedachte dat de fotograaf vast moeite heeft moeten doen om ze tot een glimlach te bewegen. Of ze een goed huwelijk hadden? Hij denkt het al is hij er niet zeker van. Wat is goed, wie bepaalde dat? Hij vergelijkt het hoofd in de kussens met die van de foto en vindt amper overeenkomst. Zij beiden gedroegen zich naar buiten formeel, gaven weinig van zichzelf, al was moeder opener dan hij. Dat ze elkaar respecteerden en waardeerden was wel zeker. Soms had Daan genegenheid in hun blik gelezen als een van beiden aan tafel of tijdens een visite iets vertelde over het werk. Aanrakingen, genegenheid, hij moet nadenken, vindt geen herinnering. Hij kijkt neer op het bleke vadergezicht; gesloten mond, gesloten ogen, gesloten man, gesloten leven en denkt: ‘Hoe goed kent een kind z’n ouders? Wat weten ze echt en wat is gaande de weg, ge- of vergroeid, gesleten? Wat je denkt van de ander te weten bestaat dat niet voor het leeuwendeel uit interpretaties die het kinderbrein verzamelt?’ Hij heeft wel eens gehoord dat je gevoelens of herinneringen opslaat in je darmen. Wat weet hij van deze man? Hebben zij iets gemeen? Heeft hij nog wel eens teruggedacht aan de knipoog en de uitgestoken hand? Hij vraagt het zich af zonder het antwoorden te zoeken en neemt de telefoon uit zijn zak. Niemand heeft gebeld, een bericht gestuurd, of ingesproken. Die dingen houden op als de dood binnen handbereik is. Alles lijkt in het zicht van die grens volstrekt onbelangrijk geworden, sterker nog, op iedere gestelde vraag zal hijzelf het antwoord schuldig blijven. Hier wat vertoeven bij zijn vader. Waarom wil hij dit perse? Hij kan weggaan, niemand die het hem kwalijk neemt. Maar hier zit hij, nu al een nacht en een dag en houdt een wat onduidelijke wacht. Zoals hem is opgedragen maakt hij af en toe zijn vaders lippen vochtig met een grote wattenstaaf met speciale vloeistof, meer is er niet te doen. Waken heet dit niets doen. Het woord heeft iets te maken met bescherming of hoeden.
Hij treft zichzelf even later in de keuken aan, maakt koffie en kijkt, terwijl het hete water zich door het apparaat perst, over het grasveld. Daarvoor was het moestuin en daar weer voor trapveldje. Had daar niet ook een klein schuurtje met tuingereedschap gestaan? Op zoek naar koffiemelk, een lepeltje en iets te eten, treft hem de strenge vertrouwde vaderorde achter