De ontmoeting
Het valt me telkens weer zwaar om onze eerste en enige echte ontmoeting in herinnering te roepen. Ik kan niet terughalen hoe het leven was voor we elkaar troffen, daar in het schemerlicht. Wat gebeurde kroop mijn leven binnen, vertakte zich en ik ontkwam er niet meer aan, moest er met iemand over spreken.
De stem van Eline had bij het maken van onze afspraak prettig en tegelijk zakelijk geklonken. Tijdens de intake en nu ik in haar kamer zit klopt mijn beeld met haar rustige bewegingen. ‘U moet me serieus nemen’, zeg ik en ik vraag me af of het overtuigend genoeg klinkt.
Het komt me voor dat Eline, bij wijze van uitnodiging, koffie voor me inschenkt en de mok naast de stapel tijdschriften op het tafeltje links van mij zet. Het is er eentje met grappige ronde dames. Zelf neemt ze plaats schuin tegenover mij en klemt haar ranke vingers om haar mok. Ze kijkt me aan, nodigt me niet uit om te beginnen. Dat maakt me onzeker. Pas als ze meer achterover gaat zitten, haar lange benen over elkaar slaat en de wijde pijpen van haar witte broek schikt, durf ik te vragen of ze wil dat ik het vertel. Met een kort knikje beantwoordt ze m’n vraag. Alleen mijn woorden komen niet, blijven nog voor ze mijn mond bereiken ergens haken in mijn keel. Rustig en beheerst schudt ze met één beweging haar blonde haar achter haar schouder. Natuurlijk, zij is professional, is eraan gewend om de meest bizarre verhalen aan te horen, maar naar mij moet ze luisteren zonder die superieure beheersing. Ze moet aandachtig zijn, begrijpen hoe lastig het voor mij is.
Ze knikt weer, draait haar mok rond en zegt: ‘Begin maar gewoon, Joost’.
‘Ik woonde…’.
Ze komt iets naar voren, schudt het haar over haar rechterschouder.
‘Ik woonde vorig jaar in Groningen in een studentenhuis. De studie viel me zwaar en het was daarom fijn dat ik het huis in het weekend voor mezelf had. Ook die vroege zaterdagochtend was ik alleen thuis. Ik zat plotseling rechtovereind, was klaarwakker en hield m’n adem in, hoorde alleen mijn eigen onrustige hartslag. Waar ik wakker van was geworden, wist ik niet onmiddellijk. Geleidelijk drong tot me door dat ik een stem had gehoord. Voorzichtig, schoof ik mijn kussen wat omhoog en luisterde scherp. Het bleef stil. Er viel licht de kamer binnen door het grillige patroon in de gordijnen.
Het was bijna twee uur. Evengoed schrok ik van de twee klokslagen van de Martinus. Ons huis was er namelijk schuin tegenover. Het geluid, ik bedoel het geluid waarvan ik wakker was geworden, kwam van dichtbij, van de overloop, van de galerij, of kwam het toch van beneden? Ik kon het niet bedenken. ‘Godverdomme, ga dan kijken sukkel’ dacht ik, gooide m’n benen buiten boord en wist mijn trui van de stoel te grissen. Toen ik de trui over m’n hoofd trok hoorde ik het weer. Ja, het was iets dat leek op een stem, een mannenstem. - Ik kan het nog in me oproepen. - Ik trok m’n broek aan en hield mijn adem vast. Het leek stiller dan ooit. Licht maken was op de een of andere manier geen optie. De koelte herinner ik mij en hoe m’n voeten plakten bij iedere stap op de tegelvloer. Eenmaal bij de deur hield ik opnieuw mijn adem in, duwde behoedzaam de klink naar beneden en opende de deur. Weer die mompelende stem. Als bevroren stond ik daar, de klink als enig houvast. Na een paar stappen, stond ik stil, draaide de sleutel van de verandadeur om en duwde hem met mijn linker arm naar buiten. Geen idee wat ik riep. Mijn luide schreeuw klonk hees in de nacht’.
Mijn adem zit hoog. Ik neem een slok van mijn koffie en draai de kop tussen mijn handen, net als zij gedaan had. Ik ga iets voorover zitten als ik voel dat zweet langs mijn rug loopt. Ik ben begonnen en al weet ik niet goed hoe, ik moet nu door. Elines houding is niet veranderd. Ze knikt weer. Ik laat me achterover zakken en vervolg mijn verhaal: ‘Voor mijn ogen doemde uit het vage licht van de lamp aan het eind van de galerij een gestalte op. Zijn houding en postuur herkende ik. Ik was het zelf. Een oudere versie. Het gezicht van de gestalte zag wat grauw en was getekend, z’n haren waren verward en bij de slapen al grijs. Ik staarde hem aan, zag de ernstige blik, betrokken en peinzend. Hij droeg een te grote zware jas, bijna identiek aan de mijne. Hij tilde z’n arm op en liet ‘m weer vallen, een wat onbeholpen gebaar dat ik kende. We stonden daar wat te staan en ik tilde even mijn arm op. Ik bedacht niet eens dat ik hem aan zou kunnen raken. Gek dat nu zo’n gedachte in mij opkomt. Mijn angst maakte langzaam plaats voor vertrouwdheid. Tegelijkertijd was er een gêne die te maken had met mijn kleine ik die wat hulpeloos in de deuropening tegenover hem stond en niets wist te doen of te zeggen. ‘Papa?’, het was de enige vraag die in me op wilde komen, maar ik zei niets, bleef naar hem kijken. Uit de beweging van zijn mond en zijn hulpeloze handgebaar las ik dat hij iets wilde zeggen’.
Ik aarzel even, herpak me en zet mijn verhaal voort.
‘Zoals hij was gekomen, zo ging hij. Zijn gebogen gestalte verdween aan het eind van de galerij in het donker. Ik was alleen. De lucht voelde vochtig en kil. Het was of de lege veranda mij aanstaarde en lachte om hoe ik daar maar wat stond. De kou en de verlatenheid van dat moment kan ik nog voelen.
In de lichtbundel van de stalling beneden zag ik een man opstappen en wegfietsen en ik bleef luisteren tot het knersende geluid van de fiets wegstierf. Mijn hand vond als vanzelf de lichtknop. Voor ik de sleutel langzaam omdraaide keek ik om en legde hem op het plankje. In het donker van mijn kamer liet ik mij op het bed vallen, rolde op m’n zij en huilde’.
Het blijft een tijd lang stil. Ergens in het gebouw valt een deur in het slot, iemand lacht.
‘Hij bezocht me vaker’, vervolg ik. ’Een paar maanden later zag ik hem in de rij bij het stembureau en weer later fietste hij aan de overkant voorbij’.
Dat ik iets achterhoudt doet er niet toe. Dat ik het grootste deel in ieder geval onder woorden heb weten te brengen is belangrijk.
Eline zwijgt, vouwt haar handen om haar knie, buigt voorover en kijkt me aan. Ze zegt iets tegen me, dat zie ik. Ik hoor niet meer wat. Er is opeens een onwaarschijnlijk heldere gedachte. Deze ontmoeting zal, het kan niet anders, mijn leven veranderen.