De Engelsman
Op de een of andere manier hadden ze hem allemaal gezien, de gentleman die nog juist op tijd, net voor de deuren werden gesloten, achterin op de laatste stoelenrij plaatsnam. De man, ongeveer van vaders leeftijd, was gekleed in een driedelig grijs kostuum. Ondanks z’n bescheiden plaats deed hij weinig moeite zichzelf onzichtbaar te maken. Op de begraafplaats had hij zich ook afzijdig gehouden. Juist dat had hem nieuwsgierige blikken en gefluister opgeleverd en zijn aanwezigheid gewicht gegeven.
Zijn ronde hoornen bril en smalle snor werden door velen waar genomen, een enkeling noemde zijn z’n grijze haar en keurige scheiding. De tweekleuren schoenen van zacht leer waren niemand ontgaan. Die waren niet van hier en vast ongelooflijk kostbaar.
Bij niemand had hij zich bekend gemaakt, had geen medeleven betuigd en niemands hand geschud. Alles bij elkaar genomen had het hem de naam ‘Engelsman’ opgeleverd.
Anne, vaders stiefdochter, wist later bij de thee te vertellen dat hij, de Engelsman, bij het dalen van de kist zijn neus in een witte gevouwen zakdoek had gesnoten of er zijn tranen mee had gedept, dat kon ook. Hij moet kort daarop zijn vertrokken omdat niemand hem na de ceremonie bij het graf nog had gezien.
Op de parkeerplaats was geen luxe auto of buitenlands kenteken gesignaleerd. Vaders gestructureerde levensstijl gaf hoe dan ook geen aanknopingspunt. Verbazing en twijfel waren van dezelfde omvang toen een jeugdvriend stellig beweerde dat vader voor zijn eerste huwelijk een tijdje in Kent had gewoond. Hij kon zich niet herinneren waar precies.
Voor alle zekerheid hadden ze nog even rondgebeld, maar de naam Adriaan met sierlijke ‘A’ in het condoleanceboek kon niemand thuis te brengen.