Op het leven
Mijn moeder klapt in haar handen. Ik weet wat ze zeggen zal en zeg in mezelf: ’Lieve vriendinnen. Wat fijn dat jullie er zijn’. Ze noemt dan iemand in het bijzonder. Ageeth valt vandaag de eer te beurt. Dan vervolgt ze met: ‘Op de tafel heb ik alvast alles klaargezet. Het eerste kopje serveer ik, de rest laat ik aan jullie beleefdheid over. Er is royaal’.
Ik bekijk haar van een afstand, mijn moeder, stijlvol en helemaal jarig. Ze houdt van traditie, wijkt er om die reden nooit vanaf. Op het Laura Eshley tafellaken, links de koffiekan en de kopjes, rechts de theekan met de wijde koppen. In het midden de kleine bordjes en de vorkjes. Taartjes, zandgebak met room en vruchtengelei op een bord, de hapjes en chocolaatjes op etagere. Er is zeker genoeg, al houdt het niet over. Voor ieder twee, plus eentje voor je weet maar nooit, zo heeft ze het tevoren uitgeteld. De achterste helft van de tafel, achter de bloemenvaas en de etagères, is, heel gênant, ruimte gelaten voor de cadeau’s: ongeveer voor een heel jaar badzout en doucheschuim.
Van haar vriendinnen ken ik de namen, daarmee houdt het op. De vensterbankplek met ons Doesje op mijn schoot, past me goed. Zo hoef ik met niemand echt een conversatie aan te gaan. Mama zal me bovendien in gesprekken betrekken, dat wil zeggen dat ze me regelmatig om mijn mening zal vragen.
God noch aan toe, hoe houd ik dit vol. Ik bedenk, al komt het nooit voor, dat mama, in gezelschap van mijn vriendinnen, minder kritisch zou zijn in haar oordeel.
De gesprekken kabbelen voort, met af en toe een mama’s hoge lach. Mijn mening wordt gevraagd over opengewerkte kousen, kauwgumgebruik en over de burgemeester van mijn Amsterdam.
In de hoek waar Ans, mama’s oudste vriendin in de rode fauteuil zit, begint zich een ernstig gesprek te ontwikkelen. Stemmen matigen zich en er wordt mee meelevend en instemmend geknikt.
‘David, de ex van Ans krijgt binnenkort eu-tha-na-sie’, fluistert mijn moeder me in. Ik knik begripvol, graaf in mijn geheugen naar de ex en veeg met mijn duim cacaopoeder van truffel van mijn moeders kin. Alle aandacht heeft zich nu verplaatst naar Ans, die met bekommernis over Davids ziekbed spreekt. Bij grote woorden als ‘verpleeghuis en incontinentie,’ wordt instemmend gehumd. Bij ‘totale afhankelijkheid, kasplantje en tremors’, gaat een huivering door de kring van hoorders.
Om een einde te maken aan het gesprek zegt mijn moeder: ‘Sophie werkt in de zorg met mensen met zulke erge ziektes. Toch?’ Alle ogen richtten zich op mij. Ik voel mezelf verstrakken, haat mijn moeder, de verjaardag en de ex, zet Does voor me op de grond, aai haar terwijl ze haar staart om mijn enkel krult.
Ik kijk naar de vrouwen, de nette jurken, grijze kapsels, vlotte broeken, trendy brilmonturen en weet niets te zeggen. Er wordt naar Ans gekeken, van haar naar mijn moeder die mij op haar beurt vragend aankijkt. Het blijft stil. Does springt naast me in de vensterbank en draait twee rondjes op mijn mijn schoot voor ze gaat liggen. Ze spint, voel ik.
‘Misschien’, zeg ik voorzichtig, ‘misschien past mij schroom of verlegenheid als het over het levenseine gaat’, hoor ik mezelf bijna fluisterend zeggen en richt me strak op de schoenen van Ans, groene, gevlochten leer, lage hak.
Op een paar kuchjes na is het een tijd stil, erg stil, tot mijn moeder opstaat en haar glas heft. ‘Meiden, laten we drinken op het leven’.
De levendigheid zet zich voort als Does en ik de woonkamer verruilen voor een rondje tuin.