Waar liefde voor taal begint komen verhalen tot leven. In zomaar een ontmoeting, in een aarzelend uitgesproken woord, in een stil vermoeden ligt hun oorsprong. Als kind schreef ik verhalen en ben nooit ben daarmee opgehouden. Tijdens mijn werk als geestelijk verzorger vertellen mensen mij over de onvermoede kracht die schuilt in dromen en verlangens. Zij vormen de grondtoon van mijn werk.

Berthe Omvlee

Auteur

De Eva

‘De Eva’ is de voorlopige titel van de roman waar ik op dit moment aan werk.


Hier deel ik alvast een fragment: Lees meer

Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Blauw

De binnenmuur is blauwer dan gedacht, maar mooier dan Koert had kunnen bedenken. Aanvankelijk ging hij voor groen. Bij de verfhandel had hij opeens blauw gewild.
Voldaan doet hij drie stappen terug, schudt een oude krant open en legt de verfroller erop. Zijn handen afvegend langs zijn werkbroek leest hij de kop: ‘Twintig jaar oorlog heeft geen enkel Afghaans probleem opgelost’. Gedachteloos neemt hij een sigaret. Zijn ‘verdomme!’ blijft hangen in de lege kamer. Ze zijn er weer: mannenstemmen, doffe knallen van bermbommen, stof, bergen.
‘Wat heb je? Kerel, je ziet asgrauw’.
Koert schrikt op. Hij had Herman niet eerder opgemerkt. Met de punt van zijn schoen maakt hij cirkels op de betonvloer, zwijgt en vraagt dan: ‘Zou jij journalist kunnen zijn?’
Herman kijkt hem niet begrijpend aan. ‘Ik, journalist? Hoe kom je daar bij? Dat zie je me niet doen, hoop ik. Mijn vader zei altijd: de krant brengt de leugen in het land!’
‘Zei je vader dat? Denk je dat hij gelijk had?’ Koert kijkt schuin naar zijn vriend.
Herman knikt. ‘Conclusies achteraf zijn zo gemakkelijk’. Hij grinnikt. ‘Nee, mij niet gezien. Ze schrijven wat ze moeten schrijven en met gemak een halve waarheid!’.
‘Ik denk dat we de waarheid liever niet weten, beschuldigen daarom liever de journalist of de krant’, Koerts stem klinkt zacht en schor.  Hij loopt naar het raam. Twee mussen kwetteren vrolijk in de Rododendron. ‘Mensen gaan journalisten te lijf omdat ze boodschappers zijn van pijnlijke waarheden’.

’Heftig kleurtje. Jij durft’. Herman bewondert de muur als was het een kunstwerk.
Nu draait Koert zich om. ’Ik had eerst voor groen willen gaan, mos- of legergroen, maar opeens wou ik blauw. Blauw van een nieuw begin, begrijp je?’
‘Zeker, ‘ik zeg toch: jij durft!’.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Buurvrouw

Naast de asbak plant Greet, twee mokken tussen hen in. ‘Heb je d’r melk in?’
Nico schudt z’n hoofd.
Uit de tas aan haar stoel tovert ze een pakje sigaretten. De rook blaast ze door haar rechter mondhoek uit.

Hij heeft respect voor haar zelfverzekerdheid, voor de goudkleurige oorringen die door haar zwarte krullen schitteren en voor de lange kleurrijke sjaal. Al bij hun eerste kennismaking bij het tuinhek was hem opgevallen dat hier tegenstand weinig sprake kon zijn.
‘Een beetje op stee?’ Ze voorziet zichzelf van een flinke schep suiker.
Hij houdt de hand boven zijn kop. ’Nee, ik moet nog verven’.
‘O ja. Jan, mijn man zaliger, verfde ook alles eerst. Nu zo’n, ’s even kijken, drieëndertig jaar geleden. ’t Is een fijne buurt hoor. Ik ga d’r niet meer vandaan. We doen ’t hier met mekaar, de een helpt de ander. Nooit een onvertogen woord. Nooit! Kijk Wim Bus, Bussie noemen we hem, drie huizen verderop’, haar wijsvinger met donkerrode nagel maakt drie kleine luchtboogjes. ‘Bussie houdt de boel hier in de gaten. Is d’r wat, dan komt ie in actie. Goeie vent!’ Ze neemt twee flinke slokken, nog een trek en drukt hem dan resoluut uit.’ Na Almere zal ‘t hier wennen wezen. ’t Is een dorp. Dorpser dan hier krijg je ’t niet!’ Ze en buigt voorover.
Nico knikt weer en schuift iets naar achteren.
Greet schikt haar haar sjaal, kijkt naar hem op en dan naar buiten. ‘Ik ben gek op m’n tuin. Jan heeft ‘m aangelegd. Gouden handjes had ie!’
‘Buurman’. Ze staat op en schenkt ongevraagd zijn koffie bij.
‘Ik heet Nico, onderbreekt hij haar . Het klinkt harder dan hij bedoelt.
Ze gaat weer zitten, strijkt met haar nagels langs de tafelrand. ’Ik zei gisteren nog tegen Bussie: m’n schutting staat op zijn grond. De palen zijn hartstikke rot. Dat wordt nog een klus voor buurman’.
‘Dat gaan we nog zien, buuf’. Nico schudt zijn hoofd, zucht en staat op. ‘Ik kom d’r wel uit’.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Het is waar

‘Wat heb je, kerel?, je ziet zo wit als een dode’.
Pas als Herman bij hem staat merkt Koert hem op, schuift dan, zonder om te kijken, zwijgend de krant over de tafel. Herman schudt hem open. ‘Missie heeft geen enkel Afghaans probleem opgelost’, fluistert hij en leest aandachtig verder.
‘Verdomme jongen. Verdomme!’, zegt hij, zijn hoofd schuddend. Hij ziet de spanning op het gezicht van zijn vriend die met gebogen schouders en hoofd naar het tafelblad staart. Weg is zijn stoere trots en bravoure van de foto’s.
‘He joh. Kom op. Jij deed je plicht, meer dan. Zij waren er niet bij hè, die stukjesschrijvers!’. Hij schuift bij en legt zijn linkerhand op Koerts arm.
Koert ademt snel. ‘Ik wel!’, fluistert hij schor, staat abrupt op en loopt naar het raam. Twee mussen kwetteren vrolijk in de Rododendron. ‘Ik wel!’
‘Ze schrijven maar wat. Trouwens , conclusies achteraf zijn zo gemakkelijk. Laat je niet van de wijs brengen. Jij deed…!’
‘Maar het is waar, Herman. We zeggen het niet, maar weten dat het waar is.’ Koert slaat tegen het kozijn. De vogels vliegen op.
Herman perst zijn lippen samen, wil iets zeggen tegen de gebogen rug, zoekt de woorden, maar vind ze niet. Geen enkele.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Niets

Dat ze met haar moeder niet veel had en dat dit in de tijd niet was veranderd, nam ze vooral zichzelf kwalijk. Lang had ze gedacht dat het nog wel zou veranderen als er iets gebeurde, een, kleinkind een misverstand of ziekte. Het gebeurde niet. Voor zichzelf had ze weleens een ongeluk gefantaseerd met een liefdevolle moeder aan haar bed. Er moest, meende ze, wel iets zijn waardoor ze in staat zouden zijn elkaar te verstaan. ‘Verstaan’, ja, dat was het woord, meer hoefde niet. Niet dat er tussen hen ooit verwijten vielen of grote woorden. Het was of ze elkaar daarin stilzwijgend tegemoet kwamen. De laatste tijd dacht ze soms hoe het zijn zou als ze dood zou gaan. Aan haar moeders bed zag ze dan zichzelf zitten, niet bij machte haar hand vast te houden. Vanmorgen was moeder weer geweest. Hoe kon ze ooit aan zichzelf of ook maar aan iemand uitleggen hoe het was tussen hen.
’Gezellig!’, had ze haar als vanuit de keuken horen zeggen en ze stelde zich voor hoe haar moeder erbij in haar handen wreef. Vanuit de deuropening had ze naar haar gekeken, naar hoe ze daar als altijd zat op het hoekje van de bank, groot en recht. In het voorbijgaan had moeders blik het theeblad gevolgd. ’Kind wat weer verrukkelijk’. En ja natuurlijk, ze had als altijd zelf dat taartje gehaald, er eentje voor haar uitgekozen. Nooit zou moeder een taartje weigeren. Verrast keek ze ernaar om zich daarna te verontschuldigen. Dat het eigenlijk niet mocht, niet kon, maar dat ze zo’n verleiding moeilijk kon weerstaan. Ze was haar in de rede gevallen, was een gesprekje begonnen over eigenlijk niets. Opeens was het er weer, die weerzin toen ze zag hoe haar moeder met gretige vingers het bordje naar zich toe haalde om er onmiddellijk, nog voor de eerst slok thee, de vork in te zetten.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Iets uit de bijbel

Toen hij steeds moeilijker woorden vond voor wat hij bedoelde te zeggen, zelfs zijn lichaam hem niet meer scheen te begrijpen en de verwarring te groot voor hem werd, hebben zijn kinderen hem naar hier gebracht. Even hadden ze gedacht, gehoopt misschien, dat hij niet begreep wat er ging gebeuren. Ze hadden het verteld, luchtig en opgewekt, hadden hem verleid met woorden als gezellig, afleiding, gemakkelijk, uitrusten.

Hij had geluisterd, aandachtig, hen aangekeken en alleen maar geknikt.

De automatische deuren sloten zich achter hem, deuren die verleden en toekomst genadeloos wisten te scheiden.
Was het dit besef dat hem de adem benam? ’t Was of hij iets wegslikte. ‘Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest’, dat had hij gezegd, duidelijk en enigszins plechtig.

‘Het was een gebed, iets uit de bijbel’, meenden zijn kinderen. Ze wisten niet goed wat ze er mee moesten, maar hem had het lucht gegeven, adem. Zelf wist hij op deze wereld niet meer hoe het verder moest, maar God zou er misschien wel weg mee weten. Vast wel.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Zondagmiddag

Moeder las voor, iedere zondagmiddag. Mijn broertje op haar schoot, ik naast haar. Er was de geur van het boek. Ik mocht het uit de kast nemen.

Met haar stem toverde moeder uit letters en woorden een nieuwe wereld. Moeiteloos liep ik binnen bij verdriet en onrecht, zag duinen die ik nog nooit gezien had, een donkere kerk, een heks. Die betovering bleef nog lang.

Het boek is niet het verhaal, is ook niet het beeld, bedacht ik. Het boek bezit alleen woorden en letters. Zorgvuldig legde ik het samen met mijn gedachten terug bij nog andere boeken.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Schoonmaak

Van tevoren zag je het nooit aankomen, het was er pas als je uit school kwam, de gang binnen kwam. Er was de geur van zeep, iets citroenerigs, maar net anders. Misschien was het door het stof dat zich met de geur had vermengd of door de zon die door de open ramen ruimhartig werd binnengelaten. Het huis, ons huis, het leek door alle gestapelde spullen van zichzelf vervreemd. Maar die geur was overal, in alles en eromheen. Het had iets vrolijks, de gestapelde spullen, de uitgeklede ramen, het voorjaar dat er zonder moeite binnen was gewandeld. Een nieuwe tijd, een nieuw behang boven de kachel.

Staand voor het aanrecht, keurig op een rij, zo smeerden we onze boterhammen, iets te dik. De dagelijkse ruzie, het onderling corrigeren, we lieten het achterwege, terwille van het voorjaar.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

Nantes

Misschien is het de laatste zomerzondagavond.

Misschien is het de laatste zomerzondagavond. Mijn blik glijdt over het stadsplein dat zoemt en wemelt van jong zijn, van vrolijke verwachting, van toekomst, van spanning, hartelijk weerzien en blijft dan bij twee jongens aan de rand van het aangrenzende terras.

Ze lijken er geen deel van uit te maken, van het leven, voeren hun gesprek, rustig,  ingetogen, ernstig ook, dan weer zich buigend naar de ander, soms met een enkel gebaar, een knik, een korte vraag, lijkt het. Ze gaan op in elkaars verhaal, in elkaars aanwezigheid. Er is in hun houding een zachte interesse voor de ander. Iets in hun jonge breekbaarheid vangt telkens mijn blik.

Hier en daar dooft een licht. Langzaam verdwijnen mensen in straten en stegen, lachend en elkaar groetend. Ik sta op en verlaat het plein. Nog even kijk ik om. Ook zij staan nu op, leggen geld op het tafeltje. Twee gebogen gestaltes verdwijnen in de nacht.

De stad is weer wie ze is en wat zij was: stad van bewoners en studenten. Voor mij is het tijd om te gaan.

Meer lezen
Berthe Omvlee Berthe Omvlee

De Jas

‘Hoe was je vader?’, vroegen mensen de laatste tijd nogal ’s. Best fijn eigenlijk, dat ze vroegen, maar ook knap ongemakkelijk. Het is niet eenvoudig om je vader, je echte vader, op te dissen. Het lijkt of hij in een mist is verdwenen achter alle beelden van de laatste tijd: de zieke zwijgende vader die moedig zijn lot draagt.

‘Hoe was je vader?’, vroegen mensen de laatste tijd nogal ’s. Best fijn eigenlijk, dat ze vroegen, maar ook knap ongemakkelijk. Het is niet eenvoudig om je vader, je echte vader, op te dissen. Het lijkt of hij in een mist is verdwenen achter alle beelden van de laatste tijd: de zieke zwijgende vader die moedig zijn lot draagt.

Wat antwoord je in godsnaam? ‘Lijk jij op je vader?’ Die vraag wil je het liefst omzeilen.

Het begin gaat altijd wel aardig: ‘Een karakteristieke man, groot en lang. Hij had een vreemd loopje’. - Dat kon je dan leuk nadoen -. ‘Hij was beleefd, heel nauwgezet en hield van zwaar klassiek. Meestal was ie in zijn werkkamer. Je was verplicht om aan te kloppen en te wachten op zijn antwoord. Toen op de zaak de computer kwam, heeft hij zelf een rekenprogramma geschreven. Na 10 jaar trouwe dienst werd het vervangen door een professionele versie. Het programmaatje van pa bleek op de cent nauwkeurig. Zijn collega’s hadden hem dan ook vooral als correct en betrouwbaar getypeerd.

‘s Morgens vroeg hoorden we hem fluiten in de keuken en even later zagen wij vanuit ons slaapkamerraam zijn lange gestalte gebogen over z’n stuur, in z’n grijze gabardine jas en bruine sjaal, wegfietsen.

Zijn stoel aan tafel was tijdens de maaltijd vaak leeg en op het aanrecht in een Tupperware schaaltje bewaarde moeder zijn eten’. Maar is dit het antwoord op de vraag wie je vader is? ‘Hoor je vaak, dat na de dood van een ouder, de kinderen er mee worstelen’, zei een goede vriend en gaf me een bemoedigende klap op m’n schouder.

Het was niet eens veel werk geweest, het leegruimen van zijn huis. Vader was er blijven wonen toen moeder er niet meer was. Alles leek voorbereid, keurig op orde. Mijn zus hield die ochtend opeens de vertrouwde vaderjas omhoog: ‘He broertje, wat doen we hier mee?’

Voor ik het goed en wel besefte was de grijze gabardine mijn erfdeel. In de zakken vond ik vaders vergeelde personeelspas, een keurig gestreken herenzakdoek en het sleuteltje van zijn fiets. Terug van de stomerij heb ik, zo noem ik dat maar, mijzelf met vader bekleed.

‘Mooie jas! Nieuw?’, merkte een collega laatst bij het weggaan op. ‘Nee, niet nieuw, was van mijn vader’, zei ik luchtig. ‘Goh, mooi!’ ‘Ja, mooi!’ Dat liedje dat ik toen op weg naar de parkeerplaats zomaar had lopen fluiten…, hoe heette dat nou verdorie?

Meer lezen