Niets
Dat ze met haar moeder niet veel had en dat dit in de tijd niet was veranderd, nam ze vooral zichzelf kwalijk. Lang had ze gedacht dat het nog wel zou veranderen als er iets gebeurde, een, kleinkind een misverstand of ziekte. Het gebeurde niet. Voor zichzelf had ze weleens een ongeluk gefantaseerd met een liefdevolle moeder aan haar bed. Er moest, meende ze, wel iets zijn waardoor ze in staat zouden zijn elkaar te verstaan. ‘Verstaan’, ja, dat was het woord, meer hoefde niet. Niet dat er tussen hen ooit verwijten vielen of grote woorden. Het was of ze elkaar daarin stilzwijgend tegemoet kwamen. De laatste tijd dacht ze soms hoe het zijn zou als ze dood zou gaan. Aan haar moeders bed zag ze dan zichzelf zitten, niet bij machte haar hand vast te houden. Vanmorgen was moeder weer geweest. Hoe kon ze ooit aan zichzelf of ook maar aan iemand uitleggen hoe het was tussen hen.
’Gezellig!’, had ze haar als vanuit de keuken horen zeggen en ze stelde zich voor hoe haar moeder erbij in haar handen wreef. Vanuit de deuropening had ze naar haar gekeken, naar hoe ze daar als altijd zat op het hoekje van de bank, groot en recht. In het voorbijgaan had moeders blik het theeblad gevolgd. ’Kind wat weer verrukkelijk’. En ja natuurlijk, ze had als altijd zelf dat taartje gehaald, er eentje voor haar uitgekozen. Nooit zou moeder een taartje weigeren. Verrast keek ze ernaar om zich daarna te verontschuldigen. Dat het eigenlijk niet mocht, niet kon, maar dat ze zo’n verleiding moeilijk kon weerstaan. Ze was haar in de rede gevallen, was een gesprekje begonnen over eigenlijk niets. Opeens was het er weer, die weerzin toen ze zag hoe haar moeder met gretige vingers het bordje naar zich toe haalde om er onmiddellijk, nog voor de eerst slok thee, de vork in te zetten.