Stilte
N.a.v. de eerste regel van Ophoepelen, dichter: Joris Miedema, Poesie-tafel
Ik hoorde de stilte aan mijn vader knagen, knagen aan zijn ziel en zaligheid. Het was alsof de woorden van hem gingen, of ze in de tijd verdwenen, hun betekenis het krimpen was, iedere week of maand een beetje. De betweter van weleer is uiterst langzaam naar ginder afgemeerd. De overkant, al zichtbaar, lonkt zo nu en dan. Mijn vader, ach hij antwoordt niet. Denk niet dat hij horende doof is voor de lokroep van de overzij of dat het hem ontging. Wat hem ontbrak zijn woorden voor zijn antwoord of hij zal groet en of nog even niet.
Traag gaat zijn leven, zachtjesaan, letterlijk voet voor voet. Je moet nu niet zo hard meer roepen, niet zoveel nog vragen, aandringen of maar blijven praten. De stilte zegt genoeg.
Morgen misschien of overmorgen wil ik vertellen, zeggen dat ik de stilte zie, dat ik het kan verdragen tot ik zelfs dat niet meer zie of hoor hoor.